Verspilde ochtend - De Coriolanstraat

Gabriela Adameşteanu | February 01, 2009
Translated by: Jan Willem Bos

 

Als ze vroeger zo, dagen aaneen, binnenshuis was gebleven zonder een enkele keer uit te gaan, zou ze het gevoel hebben gehad dat de muren op haar afkwamen. Ze maakte het huis aan kant en ging op pad. Zij ging om de beurt bij iedereen op bezoek, de ene dag bij de een, de andere dag bij de ander, nergens kwam ze met lege handen vandaan, je maakt een praatje, je hoort nog eens iets, want als je de hele dag zit opgescheept met die vent die stommetje speelt, krijg je zin om met de noorderzon te verdwijnen. Veel had ze nooit met hem te bespreken gehad, en bovendien: waar moet je het met je man over hebben?!

            ‘Je man hoeft jou alleen maar beneden de gordel te kennen...’ zei ze, en toen haar schoonzusje haar dat hoorde zeggen, verscheen er dadelijk een boze rimpel in haar voorhoofd.

            ‘Zulke dingen mag je niet zeggen, Vica, verdorie nog-an toe, straks hoort dat joch je nog... Je bent al oud en dan komt er nog allerlei onzin uit je mond…’

            ‘Eeeeh… En wat dan nog als hij het hoort...? Laat ’m het maar horen! Alsof hij nog lang aan je rokken blijft hangen…! Maak je maar geen zorgen, ik ben immers ook in belangrijke huizen geweest, ik weet best hoe dames praten... Overal waar ik geweest ben, kon ik het uitstekend met iedereen vinden, allemaal waren ze op me gesteld en waardeerden ze me, en bij madame Ioaniu, wat heb ik daarmee gelachen, met haar en met Ioana…’

            Haar schoonzus is ook al geen prater, je moet de woorden met een tang uit haar mond trekken… Wijlen haar broer, toen hij nog leefde, volgde haar voorbeeld, want zo zijn mannen, ze doen net als hun vrouw. Alleen die vent van haar, ze kon hoog of laag springen, maar hij deed waar hij zelf zin in had. Toen ze nog jong was, trok ze zich alles wat hij tegen haar zei erg aan, wat ze toen niet heeft gejankt, wat een verdriet ze toen niet heeft gehad, ze was zo vermagerd dat je haar kon omblazen. Tot haar peetmoeder, God-hebbe-haar-ziel, een keertje bij haar langskwam.

            ‘Wat is er met jou, Vica, hoe komt het dat je zo bent afgevallen?’

            ‘Nou, om die en die reden…’

            ‘Hou toch op, meisje,’ zei ze tegen haar, ‘en maak je niet meer zo te sappel…’

            Zo was haar man, een binnenvetter, zij zat anders in elkaar, zij leek op haar moeder, ze was net zo opgewekt als zij, als ze maar een echtgenoot had gehad die ook zo was, die graag lachte… Zulke kerels zijn er ook, maar daar is dan weer iets anders mis mee, want je moet niet denken dat de ene beter is dan de andere…

            Tegenwoordig viel het haar steeds moeilijker om van huis te gaan, maar toch nam ze een of twee keer per maand haar leren boodschappentas (die ze van madame Daniel had gekregen),  propte erin wat ze maar voorhanden had liggen, trok haar warme jassen over elkaar aan, deed haar tanden in, knoopte twee doeken om haar hoofd, bond met een sjaal de stevige muts vast die ze negen jaar geleden had gemaakt uit de restjes van een jas, en ging op stap. Zo noemde haar man het, dat ze op stap ging: ‘Wat doe je, ga je weer op stap…’ klonk hees vanuit het bed, vanonder de op het dekbed gestapelde dekens waar hij lag, zijn hoofd gewikkeld in een oude, aan flarden gescheurde trui; want de verschoten slaapmuts die hij gewoonlijk droeg, was nergens te vinden.

            Wanneer hij praat, hijgt hij tussen de woorden in, hij is dik en groot, hij is de honderd kilo gepasseerd. De huid van zijn hals hangt slap en lellend omlaag, maar zijn wangen zijn nog vlezig, bijna blozend, bedekt met een witte stoppelbaard die hij om de paar dagen afscheert.

            ‘… mooie gewoonte is dat van jou om rond te zwerven… je hele leven heb je bij andere mensen de deur platgelopen…’

‘Nou, nou…’ antwoordt ze.

Ze kijkt niet eens naar hem. Ze staat op het punt om te vertrekken, dik ingepakt met al die kleren die ze heeft aangetrokken, ze staat te rommelen in de gelagkamer, schuift de weckpotten opzij om nog wat te pakken: een pot paprika’s, wat uien, want daar heeft ze er deze winter genoeg van, een paar bollen knoflook, een restje pruimenjenever dat ze overgiet in een kleiner flesje, waar hoestsiroop in heeft gezeten. Ze propt ze in haar tas, boven op de lege plastic tasjes. Ze komt niet graag met lege handen en een mens kan in huis alles gebruiken.

‘… nou, nou…’ antwoordt ze.

En ze luistert niet naar wat hij verder nog tegen haar zegt. Hij mag wat haar betreft zoveel kletsen als hij wil, totdat zijn mond tegen zijn oren zit, hij zegt het, hij hoort het. Het geklets van een vent gaat van zijn mond rechtstreeks naar zijn kont, zoals ze ook tegen mevrouw Ioaniu had gezegd... En dan moest die ouwe vrouw toch lachen...

Ze heeft haar lesje geleerd, zodra ze ziet dat hij zich opwindt, dat hij haar begint uit te foeteren, zoekt ze de gelagkamer op, krijg jij de klere, met je vader en al, verdomde rotvent, zegt ze tegen hem, op een fluistertoon…

Ze praat voor zich uit, ze loopt van de gelagkamer de winkel in en zegt van alles tegen hem, al hij heeft geen idee wat ze allemaal te vertellen heeft. Sinds een tijdje is hij ook hardhorend aan één oor, hij hoort alleen wat hem van pas komt, en zij ratelt maar door, totdat ze haar hart heeft gelucht. In de winkel is het donker. Er komt alleen een beetje warmte uit de gelagkamer, vroeger verwarmden ze de winkel met een potkachel, maar dat heeft nu geen nut meer, al vijfentwintig jaar niet meer, nee, zelfs nog langer – hoeveel jaar is het geleden dat ze de winkel heeft gesloten? Nu staat er in de winkel, tegen twee muren, hout opgestapeld, en aan één kant ligt er steenkool – waarom zou je nog vuur maken als je er toch je kont niet kunt keren? Het oude buffet, met de uit hun hengsels gevallen deuren, de grote potten met paprika’s, de zakken met aardappels, potten en pannen, de emmer met sop... Ze scharrelt ertussen rond en vindt iets om de tijd te doden, totdat hij het beu is en er het zwijgen toe doet. Pas dan gaat de kamer in, bukt kreunend en vult de kolenkachel, mooi zo, en laat het deurtje aan de onderkant openstaan; want van hem kun je totaal niet op aan – het zou best kunnen dat wanneer ze vanavond terugkomt, hij in een koud huis zit.

‘Welnee, ik ga zeker hier zitten broeden, zoals jij doet, en naar jou zitten kijken... want na veertig jaar ben ik toch niet helemaal gek geworden...’

Haar antwoord had zo lang op zich laten wachten dat hij haar alleen maar met grote ogen zit aan te staren en zwijgt. Hij zwijgt en vraagt zich af wat haar zo ineens bezielt. Ik weet hoe ik jou moet aanpakken – dat zegt ze niet meer hardop – want je bent een rotzak geweest... Daarom heeft ze ook niet van hem gehouden, hoewel ze niet kan zeggen dat ze hem niet leuk vond toen ze hem leerde kennen.

Zij stond achter de toonbank, in dat winkeltje op het Iancului-plein, en een klant was met hem komen aanzetten, om hen aan elkaar voor te stellen. Negentien was zij toen, Vica, en ze was een vrolijk meisje, iedereen mocht haar graag. En hij was een knappe en goed gebouwde vent, hij had een rechte neus en dunne lippen en stijl achterover gekamd haar, met een scheiding aan één kant – kijk, net als op de foto die aan de muur hangt. Die foto stamt ook uit die tijd, toen ze getrouwd zijn en hij bij de fabriek van Zamfirescu werkte...

Wat een patisserie had die Zamfirescu toen, niet ver van waar nu het standbeeld van Kogălniceanu staat, en wat haar man allemaal niet meenam uit de fabriek! Niet alleen chocola, maar ook bonbons van allerlei soorten en maten, en fondanten... Dat deelde Zamfirescu uit aan iedereen die bij hem werkte, en met de feestdagen, en met Pasen, wat een chocolade-eieren, wat een grote repen, geweldig, ach, wat ze er niet voor zou geven om nu ook zoiets te hebben! En in die tijd had ze haar buik er zo vol van dat ze die dingen niet meer kon zien...! Kijk, zo zijn de mensen... En Zamfirescu, wat een heer was dat, het was niet voor niets dat hij op een gegeven moment deel uitmaakte van het entourage van de koningin. Drie jaar heeft haar man voor Zamfirescu is gewerkt, veel opleiding had hij niet genoten, maar hij had een fraai handschrift, moet je zien wat hij nu nog voor handtekening zet, en eronder maakt hij zo’n krul...

Met wat hij van zijn verdiensten bij Zamfirescu opzij had kunnen leggen, samen met de bruidsschat die haar vader hun had gegeven, heeft hij toen de winkel geopend. En toen ze het geld van de bruidsschat telden, konden ze hun ogen niet geloven. Het bleek dat vader zich had vergist, hij, die nog geen cent uit zijn zak haalde als je hem erom smeekte, had 15.000 te veel neergeteld! En hij, die stomkop, die vent van haar, die oude schooier, kwam angstig naar toe: ‘Wat moeten we doen,’ zegt hij, ‘je vader heeft zich vergist toen hij het geld voor me heeft uitgeteld... Wat doen we,’ zegt dat onbenul, ‘zullen we het hem teruggeven? Pak aan, neem jij het geld maar en geef het hem terug...’

‘Hier met die centen,’ zei zij toen, ‘en praat daar met geen woord meer over, want dat is mijn geld. Dat is alles wat ik van hem ga krijgen…’

En zo was het ook, want haar vader heeft alles nagelaten aan zijn kinderen uit zijn tweede huwelijk, die ellendeling...

Maar met de bruidsschat plus wat haar man had gespaard bij Zamfirescu, hadden ze genoeg geld bij elkaar om de winkel te openen aan de Coriolanstraat. En toen had je moeten zien hoe die oude schooier het heertje ging uithangen, sinds hij die winkel had... Je had moeten zien hoe hij in een volgeladen rijtuig aan kwam rijden, uitsluitend een eersteklas rijtuig, en hij languit op de kussens achterin. Een keer bracht hij een gouden armband en een ander keertje een saffieren medaillon aan een kettinkje voor haar mee. Daarna hield hij dat voor gezien: ‘En waarom zou ik nog zoiets voor je meebrengen?’ zei hij. ‘Als jij ze toch nooit draagt...’

Wanneer moest ze die dragen als de hele dag achter de toonbank stond? En het ging allemaal langs hem heen! Hij ging naar de bioscoop, hij ging naar het voetballen, er is geen wedstrijd gespeeld bij Juventus die hij heeft gemist! Je zou denken dat hij bedrijfsleider was bij Venus... Nu komt hij alleen nog buiten als het mooi weer is, om een wandelingetje naar het Cişmigiupark te maken. Hij heeft zo’n stijve manier van lopen met zijn buik vooruit, zijn handelaarsbuik, zoals zijn oude vader, dat onderdeurtje uit Oltenië, nooit had gekregen. Dat zat hem dwars. Wat stel ik voor als handelaar als ik geen buik heb? jammerde hij voortdurend tegen haar toen hij op leeftijd was gekomen. Maar haar man was zijn hele leven zo geweest: groot en met een buikje. En hij liep op een stramme manier, met nadrukkelijke passen, zijn buik vooruit, en dan keek hij smachtend naar de banketbakkerij op de hoek en naar de flessen met Cico-limonade. Zij stopte weleens een briefje van vijfentwintig in zijn zak, maar ze hoefde zich geen zorgen te maken, ze wist dat hij er niet aan zou komen; hij vond het gewoon een prettig gevoel te weten dat hij geld op zak had, want zo zijn mannen.

‘Jij gaat weg en laat mij alleen...’ klaagde hij, met een iel stemmetje.

Hij leunde op zijn ellebogen, tussen de kussens, om naar de televisie te kunnen kijken. Het was dezelfde film als gisteravond, een herhaling, maar hij keek er gewoon nog een keertje naar. En bijna in één adem, maar op een andere toon: ‘Vica, breng me een glas water...’

‘Krijgen nou het heen en weer, je kunt best zelf in beweging komen, alsof daar bij jou op het platteland je moeder jou op je wenken bediende…’

Maar toch zet ze haar tas neer, loopt terug naar de gelagkamer en brengt hem een vol glas dat ze hem aanreikt. Hoewel er al bijna een uur is verstreken sinds ze zich warm heeft ingepakt om uit te gaan, blijft ze naast hem zitten wachten totdat hij het heeft opgedronken, zodat ze het glas weg kan zetten, op de tafel.

‘Wat zei jij daar allemaal?’ vraagt hij, en hij strekt zich gapend weer uit in bed. ‘Wat had je daarstraks te vertellen…? Je mopperde en mopperde maar…’

‘Laat maar zitten…! Hou je mond…!’ riep zij.

En ze grijpt haar tas en verlaat het huis. De ramen van de gelagkamer ratelen ervan.

 

Twee

Ze stapt langzaam tussen de scheve keien op de binnenplaats, waarover de ochtendlijke ijzel is gevallen. Ze voelt steken in haar opgezwollen benen hoewel ze die gisterenavond met petroleum heeft ingewreven en vandaag dikke wollen kousen heeft aangetrokken. Het weer gaat duidelijk omslaan. Ze blijft een ogenblik staan om op adem te komen, ze is eventjes duizelig van de koude lucht en haalt haar klauwerige hand uit haar zak, die is ingepakt in een gebreide want waarvan het uiteinde is gerafeld, en leunt daarmee tegen het afgebladderde luik. In de twintig jaar sinds ze de winkel hebben gesloten, is hij bedekt geraakt met roest en stof, en het luik is nu nauwelijks meer van de muur te onderscheiden. WIJNEN VAN DE DAGERAADSHEUVEL staat rechts beneden geschreven, naast het luik, daarnaast kwam de trap die ze heeft weggehaald toen ze de winkel sloot. Ze heeft het luik vastgezet, de trap weggehaald – waarom zou ze hem daar laten staan als er toch geen mens meer door de voordeur naar binnen komt? Magazijn voor spiritualiën – maar dan de vleeswaren die ze hadden! En de kazen! Er kwamen klanten uit de Coriolanstraat, en uit de Sabijnenstraat, en uit alle straten in de buurt... Er kwamen mensen om te kijken, te kopen, een praatje te maken, een glaasje te drinken, een hapje te nuttigen. Wat een zuivel, wat een sardines, wat een kruidenierswaren, wat een delicatessen ze te koop hadden!

            ‘Nou, nou, madame Delcă,’ zei iemand weleens, ‘wat Dragomir Niculescu heeft, kan niet tippen aan wat u hebt!’

            En kijk, achter die natte metalen toonbank heeft zij haar jeugd gesleten! Ze holde de hele dag van hot naar her, terwijl er om haar heen met wijnglazen en borrelglaasjes werd geklonken en ze werd opgejut door het geroep van de clientèle: ‘Vrouw Vica…! Hoor je me niet…? Vrououw Viiica…!’

            Haar man lag net als nu languit in bed, in de achterkamer. Hij kwam alleen af en toe tevoorschijn om een dronkenlap buiten de deur te zetten of om met scheve blik te kijken of iemand zijn vingers naar haar uitstak. Als je het totaal niet verwachtte, verscheen hij plots achter je rug! Al was hij een beer van een vent, je hoorde hem niet dichterbij komen. Hij kwam binnen en spiedde overal, dat deed hij altijd graag, zijn hele leven lang, niets aanpakken, maar alleen inspecteren. Maar er was ook eigenlijk niemand die hem kon horen als hij zijn opwachting maakt, want het was er vrolijkheid troef! En zodra ze hem zagen, viel er plotseling een stilte. Iedereen was als de dood voor hem.

            ‘Kom, m’neer Delcă, drink ook een glas met ons,’ riep een nieuwe klant, die nog niet wist wat voor vlees hij in de kuip had, weleens tegen hem. Maar hij, met dat schrille stemmetje van hem: ‘Nee, bedankt, ik ben het niet gewoon...’

            En dan bleef hij nog even rondhangen, gemelijk, alsof hij hun lol wilde verpesten zodat de drank in hun strot zou blijven steken, en dan trok hij zich weer terug. Hij maakte zich klaar, doste zich uit en ging de hort op: naar het voetballen, naar de bioscoop, aan de boemel in de stad. En zij bleef achter met de leveranciers, met het uitladen van de goederen, met alle sores en al het gedoe op haar schouders. Zij was een struise vrouw, niet zoals die grietjes van tegenwoordig: mager, zo mager als een lat, zonder kont, zonder iets waar een vent zijn handen vol aan heeft... Zij was een struise vrouw, stevig gebouwd en met een flinke voorgevel, de vloer denderde onder haar voeten wanneer ze langsliep, haar krulhaar samengebonden in een knotje in haar nek, met een vlezig en blank gezichtje… Als ze had gewild, had ze van alles kunnen uithalen, maar zo stak zij niet in elkaar, zij was er niet zo eentje... Er was een lange vent met een dun zwart snorretje en een lepe blik, alsof ze hem nog voor ogen heeft, die bij de prefectuur van politie werkte. Wanneer hij kwam, kocht hij alleen kaviaar, steur, fijne vleeswaren en wijnen. Hij laadde zijn rijtuig vol en bracht het mee terug voor een van die feestmalen van hen. En hij verslond haar met zijn blikken, mevrouw Vica zus, mevrouw Vica zo... Hij droeg ringen aan al zijn vingers en op zijn pink een steen, zo groot was-ie…

            ‘Vind je hem mooi?’ zei hij een keer tegen haar. ‘Als je hem mooi vindt – zie je ’m? – is hij van jou.’

            ‘Hou hem maar mooi bij je…’ antwoordde ze hem. ‘Ik heb zoiets niet nodig, ik heb mijn eigen vent...’

            Wel een knappe man, maar het moet een duivelse kerel zijn geweest, dat zag je aan de manier waarop zijn ogen heen en weer schoten... Toen de communisten kwamen, was hij in één keer verdwenen: hij liet zijn vrouw, zijn huis en zijn kinderen in de steek en weg was hij; niemand heeft ooit nog iets van hem vernomen! Als ze hem te pakken hadden gekregen, zouden sommigen hem levend hebben gevild, want met die ringen van hem was het vast geen zuivere koffie... En dat gold niet alleen voor hem! Zoveel anderen! Maar haar hoofd stond niet naar al die onzin, zo was ze niet opgevoed, en bovendien was ze afgesloofd. Het was zoals madame Ioaniu tegen haar had gezegd, en dat was een wijze vrouw, madame Ioaniu, die had twee echtgenoten versleten: ‘Vica, neem dat maar gerust van mij aan, een afgesloofde vrouw is geen goede echtgenote...’

            Zo loopt gebogen, alsof ze een bochel op haar rug heeft, met haar verschoten blauwe jas, gebukt onder het gewicht van alles wat ze eronder heeft aangetrokken en met de tas in haar hand. Ze loopt met haar hoofd omlaag, kijkt niet op of om, misschien is het wel vijftien jaar geleden sinds ze voor het laatst in het centrum is geweest, en ze heeft daar ook eigenlijk niets te zoeken. Je hebt hier alles wat je nodig hebt: de spaarbank en de kapperszaak op de hoek, de drogist en de schoenenwinkel, de telefoon naast de groenteman waar ze heen loopt met muntjes in haar hand als buurvrouw Reli niet thuis is, de snackbar waar ze altijd gegrilde worstjes koopt voordat ze op huis af gaat. Ze legt het kartonnetje op een van de lege kraampjes op het plein, zet haar tas ernaast, haalt de worstjes door de mosterd en peuzelt ze op. Iedere keer piekert ze of ze er eentje moet bewaren om mee te nemen voor haar man. Laat ook eigenlijk maar, zegt ze dan uiteindelijk bij zichzelf, en ze veegt met haar zakdoek haar mond af, laat maar, want hij is zo al dik genoeg, en als hij naar het Cişmigiupark gaat, koopt hij voor zichzelf altijd een kaasgebakje…

            Ze loopt gekromd, ze passeert de kleuterschool waar de vijfenzestigplussers in de zomer zitten te schaken. Een stel kraaien zit te krassen op het standbeeld van die blote vrouw, haar broer Ilie, God-hebbe-zijn-ziel, wist hoe ze heette, telkens als hij hier langskwam, noemde hij haar naam... Hoe noemde hij haar ook alweer? Nief… of was het niet Nimf? Zelfs met een blinddoek voor zou ze haar weg kunnen vinden van huis naar de tram, zo goed kent ze alles hier, ze kan je ieder huis noemen, iedere kuil in de weg, hoewel er achter die hekken tamelijk veel nieuwe mensen zijn komen wonen, maar van de oude bewoners kent iedereen haar.

            ‘Goedemorgen, madame Delcă, hoe is het ermee, goedemiddag,’ roepen ze zodra ze haar zien.

            Iedereen is op haar gesteld en waardeert haar. En zij blijft staan voor een praatje zodra ze iemand tegenkomt: iedereen met zijn problemen, de een met zijn lever, de ander met zijn galblaas, weer een ander met zijn bloeddruk. Met wat ze hun allemaal op de pof heeft verkocht, had ze een rijke vrouw kunnen zijn, en nu is er niet eentje die tegen haar zegt: ‘Pak aan, mevrouw Vica, vijfentwintig lei, dat kun je vast wel gebruiken...’

            Zo gaat het op deze wereld, als je wat hebt om te geven, ben je een goeie, zo niet, dan ben je geen knip voor je neus waard, dat weet ze maar al te goed, wat zij niet allemaal heeft beleefd en meegemaakt, daar kunnen anderen nog een hoop van leren. De school des levens, avondcursus, zoals ze tegen madame Ioaniu zei, en dan moest die oude vrouw toch lachen... De school des levens, want afgezien daarvan, wat kende zij verder nog, behalve werk en nog eens werk? Niets anders dan werk en nog eens werk...

            Moeizaam klautert ze in de tram. Ze vist de muntjes, die ze al klaar had, uit haar zak en baant zich een weg naar de stoelen voorin, tussen de tegen elkaar geperste lijven door.

            Werk en nog eens werk, daaruit had haar leven bestaan, vanaf haar elfde, toen mama was gestorven en ze alleen de wereld was achtergebleven, als oudste van een hele sliert broertjes en zusjes. Want vader was vertrokken naar de oorlog en een jaar later, in de zomer, kreeg mama koortsaanvallen, ze had tyfus of zo opgelopen, ze wist zelf het beste wat het was, en toen is die arme mama gestorven. En ook Sile, de kleine, is toen doodgegaan, want er was niemand anders om hem de borst te geven, en ook de tweeling heeft het niet overleefd, maar Ilie, Niculaie en zij zijn blijven leven, want zij waren al wat ouder en hadden nog levensdagen. En zij bleven alleen wonen in het oude huis in de wijk Pantelimon, naast de Caprakerk, waar mama ligt begraven, ze woonden alleen, zij en al haar broertjes en zusjes. Wie was blijven leven, was blijven leven; wie was overleden, was overleden, afhankelijk van hoe het lot ieder van hen gezind was. En heel af en toe kregen ze geen bezoek van oma, die Griekse die de grote dame uithing... Het was of ze haar nog zag in die zilvergrijze jurk van ottoman, hoog gesloten met knoopjes en aan de mouwen afgezet met kant. En met een bontje over haar schouders. Ze kan zich haar nog voor de geest halen: een stevig gebouwde en gezette dame met grote borsten, zoals alle vrouwen in de familie. Daarom snoerde ze zichzelf ook stevig in in een korset, ze droeg zo’n korset met baleinen. Alleen kan ze zich geen bochel herinneren: had oma ook een bochel op haar rug gehad? Ze was een dame, haar oma, de Griekse, en ze had een krantenkiosk naast haar huis – een kast van een huis, met een glazen wand, in de buurt van de kerk van de Heilige Apostelen. Ze was een dame, maar zij, haar kleinkinderen konden haar niet luchten of zien, want waarom had zij mama na haar geboorte afgestaan? Als ze mama niet had laten adopteren, zou ze samen met de jongen en het andere meisje zijn opgegroeid, aha, dan zou die arme mama een ander leven hebben gehad! Dan had zij ook op kostschool kunnen gaan en zou ze zijn opgevoed als een jongedame en zou ze niet met een Olteniër zijn getrouwd en had ze niet achter de toonbank gestaan en niet alle modderstegen van Pantelimon hoeven afsjouwen met zeven kinderen aan haar rokken. Arme mama! Als haar moeder, die Griekse, haar niet had afgestaan, zou ze een ander leven hebben geleid en zou ze misschien ook niet op haar dertigste zijn gestorven, een flinke vrouw in de kracht van haar leven! Kijk, zo kletsten de buurvrouw wanneer haar oma, de Griekse, zich in Pantelimon liet zien om haar kleinkinderen te komen opzoeken. De buurvrouwen konden haar niet uitstaan, net zo min als zij, haar kleinkinderen, haar konden uitstaan, en wanneer zij tegen hen zei dat ze haar grootmoeder moesten noemen, noemden die verdraaide kinderen haar doodmoeder… Moge God ook doodmoeders ziel behoeden, ach, want zij ligt ook alweer heel wat jaartjes in haar graf! Haar foto bewaart ze nu nog in de lade, een foto die is gemaakt bij Friedrich Binder, en daarop zit doodmoeder toch parmantig, met haar bontje om haar hals en haar hooggehakte laarsjes. Elegante laarsjes, die kraakten onder het lopen, die moest je inwrijven met harsolie en dichtmaken met haakjes. Want ze had haar hele leven goed voor zichzelf gezorgd, doodmoeder, dat was ook de reden waarom ze een van haar dochters had afgestaan, want ze wilde niet al te veel kinderen in huis hebben! Dat was ook de reden waarom ze zich niets gelegen liet liggen aan haar kleinkinderen, dus als die arme kleintjes het moeilijk hadden, renden ze gauw naar hun oom, Koolwasser, die tegenover de kerk woonde: die had een groot huis met een hoog hek eromheen en wijnkelders, en valse honden. Maar dat was me ook een gierigaard, een gierigaard en een vrek, daarom noemden de mensen hem Koolwasser…

            ‘Zet die mand eens een stukje opzij, vrouw, want sinds jij bent ingestapt, blokkeer je er het hele gangpad mee...’ roept naast haar een gedrongen mannetje met brede schouders.

            De mand is een gevlochten ding waarin twee hennen met slap neerhangende kammen zitten te klokken. Twee haltes terug is een boerin daarmee ingestapt, ze had haar gezien toen ze voorin de tram inkwam.

            ‘En waar wil je dan dat ik hem neerzet?’ vraagt de boerin.

            Ze pakt de mand op en begint ermee te zeulen tussen de benen van de mensen om haar heen door, de hennen fladderen en spartelen met hun aan elkaar gebonden poten.

            ‘Zo gaat dat in de tweede klas, ze stappen in met manden, met kool, met alles wat je maar wilt... Er zijn er die zelfs honden meenemen...’ zegt de man terwijl hij zich omdraait naar een mager oudje, met een pet op, die pal naast hem staat.

            De oude zegt niets, hij knikt alleen, en de harde aderen in zijn hals zwellen op onder de dunne huid.

            ‘Zet hem hier maar neer, naast mij…’ zegt Vica.

En ze wringt de mand tussen de poten van haar zitplaats.

‘Mensen stappen in met wat ze bij zich dragen, want ze gaan echt niet lopen omdat sommigen er last van hebben... Ze mogen meerijden als ze een kaartje betalen, als je dat maar weet...’ dient zij de man hardop van repliek.

            Daar! Laat iedereen het maar horen, ook die lui die hun neus ophalen en alleen in de eerste klas willen reizen, omdat ze het in de tweede klas vinden stinken. Sinds zij de winkel heeft gesloten, heeft zij alleen zo gereisd, en daar is ze niet dood aan gegaan. Ze betaalt vijfentwintig bani en reist tweede klas, daar zitten ook mensen, net als aan de andere kant, en als ze het niet zuinig aan deed, zou ze het nog geen week kunnen uitzingen met wat haar man mee naar huis brengt.

            Ze pakt haar tas op en stapt voorzichtig uit de tram.

            Er hangt een vochtige geur in de lucht, de winter loopt op zijn einde, al zijn er nog mensen die met boodschappennetjes in de hand sleetjes waarop kinderen hangen voortsleuren over het laagje zwart uitgeslagen sneeuw. Tussen de bouwkranen – ongepleisterde flats, hopen met teer bedekt puin, afgesloten houten bouwketen. Ze hijgt en loopt iets langzamer dan gewoonlijk, ze is bang te struikelen over een van de kabels die dat stelletje ellendelingen sinds afgelopen herfst laat rondslingeren. Ze wou dat ze er al was, sinds een tijdje is deze tocht een hele opgave voor haar geworden, en ze heeft ook trek gekregen, al heeft ze voor ze van huis ging een grote mok thee gedronken met geweekt brood erin. Maar hoe dan ook doet ze niets op de lege maag, anders krijgt ze een appelflauwte en is ze geen mens, dan is ze de hele dag nergens goed voor. Ze durft te wedden dat haar schoonzus op dat tijdstip nog niets heeft gekookt... Zo is ze haar hele leven geweest, een slome, het duurde eindeloos voordat die ergens mee klaar was, en bij het minste of geringste begint ze te weeklagen: voordat ze hier was komen wonen, dat ze te klein behuisd waren, dat ze nergens plaats voor hadden, nu dat het te ver uit de buurt is, dat het een heel end met de bus is... Zij had een leven zoals zij gehad had moeten hebben, veertig jaar lang in dat armoedige stulpje, met kolenkachels, met zorg om de gasfles, en laten we maar zwijgen over wat er later kwam... Als je bij hen komt, is het alsof je in de hemel bent beland, en dat heeft ze hun ook verteld, toen ze daar drie jaar geleden naar toe zijn verhuisd en haar schoonzusje maar bleef mopperen: nu eens dat de ramen niet goed sloten, dan weer dat de deur scheef hing, dan weer dat het te ver weg was.

            ‘Je moet je mond houden,’ riep ze tegen haar, ‘je moet je mond houden, anders maak je God boos, want bij jullie is het gewoon het paradijs op aarde, en zo is dat…’

            En moet je zien, het was alsof ze haar vervloekt had, want nauwelijks een jaar later kreeg die arme Ilie dat ongeluk en is hij overleden... Pas toen kreeg haar schoonzus het echt moeilijk, nu kon ze eens zien hoe het is als je alles zelf moet opknappen en overal alleen voor staat! Die arme Ilie, zijn hele leven heeft hij nooit een onvertogen woord tegen haar gezegd, zelfs het geld in huis beheerde zij, en dan stak haar broer haar een briefje van vijfentwintig toe wanneer ze vertrok: ‘Pak aan, Vica, dan heb je geld voor de tram als je weer eens bij ons langskomt…’ zei hij tegen haar vanuit de deuropening.

            Met hun zoon, met Gelu, moet haar schoonzusje op haar tellen passen... Dat is een heetgebakerd heerschap, hij lijkt op haar, hij lijkt op haar familie, hij blaft haar af op de meest onverwachte momenten. Zij loopt hem de hele dag te vertroetelen: Gelu, jongen van me, nu eens dit, dan weer dat... Gelu laat alles van zich afglijden, die zit de hele dag met zijn neus in de papieren terwijl zijn moeder zich voor hem het vuur uit de sloffen loopt. Als zij kinderen had gehad, dan zouden die wel anders hebben gepiept, het is maar beter dat ze die niet heeft gekregen, wie weet wat daarvan geworden zou zijn, die kinderen van tegenwoordig kennen geen angst en geen schaamte meer.

 

 

Berceni

Een

‘Hier bij jullie is het paradijs op aarde...’ zei ze terwijl ze neerplofte op de keukenstoel.

            De warmte joeg het bloed naar haar wangen en maakte haar gewrichten slap, zodat ze geen puf meer had om nog in beweging te komen. Ze keek naar de vuile theekopjes in de gootsteen, naar de tafel waarop een met kruimels bedekt zeiltje lag, en naar het korstige stuk kaas op het bord.

            ‘Maar waar is je moeder?’

            ‘Naar d’r werk – deze week heeft ze ochtenddienst… wist je dat niet?’ antwoordt Gelu lijzig.

            Hij staat schuin tegen de deur geleund. Hij is lang en mager, zijn nog veranderlijke gelaatstrekken lijken te worden opgeblazen door een innerlijke gloed die hij met alle geweld probeert te verbergen. Hij blikt haar onomwonden aan en een glimlach rekt zijn dikke lippen uit. De slobberbroek, zonder riem, hangt aan zijn schriele lichaam; erop draagt hij een verschoten groene blouse.

            ‘Als ik dat had geweten, was ik niet helemaal voor niets deze kant op gekomen…’

            Maar ze komt overeind, doet haar muts af, bukt zich om haar tas te pakken en zet de weckpot met groente, het flesje, de knoflook en de ui op tafel. Ze heeft er de pest in dat ze gekomen is en haar niet thuis heeft getroffen. Als je wacht tot zij bij jou op bezoek komen, kun je lang wachten, maar dit is ook geen doen, alleen zij, alleen zij, na al die jaren, die bij anderen de deuren platloopt! Haar man had nog gelijk ook... Ach, als mama niet was gestorven, dan zou ze een ander leven hebben gehad! Ze had de lagere school afgemaakt en ze wilden haar laten doorleren, ze had al een schooluniform voor haar gemaakt, met een baret, ze ziet het nog voor zich, dat was in juli geweest, en in augustus werd de mobilisatie afgekondigd... Vader is naar het front vertrokken, toen is mama gestorven, een grote sterke vrouw die in bed lag te ijlen, de lippen van die arme vrouw waren gebarsten van de koorts... En zij, wat wist zij eigenlijk, een kind van elf? Zij speelde op het landje, ze kon zich er niet toe brengen naar huis te gaan...

            Daarna kwamen alle problemen op haar schouders terecht, want zij moest voor haar broertjes zorgen, zij moest in de rij staan voor brood, en dat was van dat donkere, nauwelijks gebakken brood, met zemelen erin, en wie moest er in de rij staan? Vica – zij was de oudste. Ze was elf. Ze stond daar met haar bonkaart in de hand, ze stond er tot ze een ons woog, zelfs nu weet ze die bonnen nog: Of 880 gr. Brood. Of 440 gr. Brood. Of 300 gr. Brood. Wordt uitsluitend afgegeven bij gelijktijdige overhandiging van deze kaart. Misbruik wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een boete van ten hoogste drieduizend lei of beide.

            Ja, ja, en zij was de tweede van haar klas geweest, ze kon lezen als de beste! Ze stond de rantsoenen te lezen, zodat ze zich die nu nog kan herinneren, ze had die uit haar hoofd geleerd als het Onzevader…

            ‘Jij weet niet wat het betekent om op je elfde zonder moeder te komen zitten... Want wij hebben het heel krap gehad nadat moeder was gestorven...’ zegt ze terwijl ze op een stuk brood kauwt.

            Nu nog, nadat er zoveel jaren zijn verstreken, voelt ze zich nog een hulpeloze wees.

            ‘Daarom moet je lief zijn tegen je moeder…’

            Ze zet voorzichtig de afgewassen kopjes in de kast en zolang ze toch met haar rug naar de jongen toe staat, snijdt ze een stuk kaas af en stopt het in haar mond. Ze dekt de rest af met een stuk plastic en zet het bord buiten het raam. Moet je zien hoe goed je het daar kunt bewaren, maar als haar schoonzusje haar hoort, begint ze te jammeren: ‘Als die arme Ilie was blijven leven, hadden we dit jaar een koelkast gekocht.’

            ‘Ga toch weg met je koelkast,’ antwoordde zij, ‘dat is weggegooid geld! Als je iedere dag het eten even aan de kook brengt, zul je zien hoe lang het goed blijft…’

            ‘Daarom moet je lief tegen je moeder zijn en haar respecteren, want zij is de enige die je nog hebt. Je moet lief tegen haar zijn en jullie moeten voor elkaar zorgen,’ zegt ze met luide stem.

            Zodat die jongen het zou horen en het goed in zijn oren zou knopen.

            Gelu was in de deuropening blijven staan, hij verplaatste zijn gewicht op zijn andere voet en gaapte. Hij stond te piekeren hoe hij ertussenuit kon knijpen, want als hij zijn mond opendeed en met haar aan de praat raakte, dan was zijn hele dag naar de knoppen. Hij had hoe dan ook lopen lanterfanten sinds hij was opgestaan. Boeken en schriften liggen her en der neergesmeten in de slaapkamer, en nu...

            Moet je die jongen toch eens zien, zegt ze bij zichzelf terwijl ze de strijkdeken op de tafel uitspreidt en het strijkijzer in het stopcontact stopt. Ze heeft wat ongestreken wasgoed gevonden dat in de badkamer lag. Als haar schoonzusje komt, zal ze zich in haar handjes knijpen dat het gedaan is. Moet die jongen toch eens zien, alsof hij iedere dag met zijn verkeerde been uit bed stapt. Zijn vader Ilie, God-hebbe-zijn-ziel, zat anders in elkaar, hij was de jongste van alle kinderen, toen mama overleed kon hij nog nauwelijks lopen. Zij heeft hem in haar eentje grootgebracht, als een moeder was ze voor hem, en de ruzies die ze had met haar vader, met de ouwe, om hem naar school te laten gaan...

            ‘Ik heb geen geld, joh, dat heb ik gewoon niet, en wat kan ik eraan doen als ik niet heb?’ zei de oude.

            Een zuinige Olteniër, hij was met een draagjuk gearriveerd vanuit Cărbuneşti, alleen hij wist waar hij vandaan was gekomen. Met het juk, met manden vol groenten en vis en kippen en azijn en steenkool en hele lammeren en gegrilde, of alleen hompen lamsvlees die aan de uiteinden van het juk bungelden. Vader had van alles verkocht, totdat hij beetje bij beetje geld opzij had gelegd en een lemen huis in Pantelimon had laten bouwen, en daarna had hij ook de bruidsschat van mama gekregen. En zo had hij de winkel kunnen openen. Daarna verkocht hij garen en band, en stookolie, en stukken zeep, het ging hem voor de wind, hij had zich aangewend om in stadskledij te lopen en zijn horloge bungelde aan een dikke gouden ketting, en hij droeg een knevel. Het was hem voor de wind gegaan, maar in augustus beierden de hele nacht de klokken en werd de mobilisatie afgekondigd. En toen hij terugkwam, was er niets meer van over... En vader, een Olteniër met vierentwintig kiezen, zodat hij op zijn tachtigste nog noten kon kraken tussen zijn tanden, want zijn hele gebit was nog intact, vader was weer van voren af aan begonnen. Hij liep als venter de dorpen af. Nu mama dood was, liep vader, zodra hij terug was van het front, dag na dag de dorpen af. En toen had hij Trien leren kennen en was hij bij haar ingetrokken, en ook met haar heeft hij een hele sliert kinderen gemaakt.

            ‘Als jullie willen, mogen jullie ook komen,’ zei vader, nadat hij bij Trien was ingetrokken.

            Maar zij zijn in het oude huis in Pantelimon blijven wonen, naast de Caprakerk, waar mama begraven lag…

            Ze haalt het strijkijzer even uit het stopcontact, want het is te heet geworden. Ze opent de deur van de voorraadkast, er zijn alleen droge biscuitjes, ze pakt er eentje, dompelt het in een glas water totdat het zacht is en eet het smakkend op.

            ‘Ik ga, tante, ik zit tot over mijn oren in het werk...’

            Hij schuifelt sloom op zijn pantoffels de kamer uit, ploft neer in zijn stoel en steunt met zijn kaak in zijn handen. Hij laat zijn vingers over zijn wangen glijden: zal hij zich vandaag scheren, of toch maar niet... Hij is duizelig van het geklets van het oudje en diezelfde oude verhalen van haar, wanneer je denkt dat je ervan af bent, begint ze weer van voren af aan. Het lijkt wel of ze de laatste tijd steeds meer praat, en ze eet al net zoveel als ze praat.

            Maar ook vandaag heeft hij geen rust in zijn lijf. Hij bladert door de papieren met berekeningen, noteert hier en daar iets in de kantlijn, gaapt, staat op en kijkt uit het raam. Er valt niets te zien, dezelfde straat, aan de ene kant begrensd met flatgebouwen en vóór hem, pal tegenover zijn raam, het braakliggende terrein, omgeven door prikkeldraad. Een bouwsel van plaatijzer vol gaten, een hokje uit de tijd dat hier het eindpunt van de tram was. Door de dunne muren van het flatgebouw heen klinken een radio die hard aanstaat en ruziënde stemmen. Hij slaat de mouw van zijn bloed op en knijpt werktuigelijk, met alleen twee vingers, de puistjes op zijn arm uit. Er zijn dagen, zoals vandaag, dat er niets uit zijn handen komt en hij loopt te niksen. De fletse hemel, de modder voor de flat, de angst voor een heel leven dat hij voor de boeg heeft en waartegenover hij zich hulpeloos en ongemakkelijk voelt, de zenuwen van zijn moeder, zijn verlegenheid in het gezelschap van meisjes en zijn geldgebrek – dit alles draagt ertoe bij dat hij zo blijft staan, ineengedoken en gemelijk, en één voor één de puistjes op zijn arm uitknijpt. Hoe is het leven echt? Zoals hij het nu ziet of zoals het op hem overkomt als hij een goede bui heeft en al die dingen uit zijn hoofd zet?

            ‘Krab jezelf niet zo, moet je eens kijken hoe je eruitziet…’ zegt Vica tegen hem terwijl ze met haar dikke, rimpelige vinger de paarse plekken op zijn arm aanwijst die hij met gesloten ogen, werktuigelijk, betast, op zoek naar nog meer puistjes.

            Ze had de deur met haar schouder opengeduwd en was stilletjes, met gebogen rug, binnengekomen, met een bord waarop sneetjes brood en plakken kaas lagen.

            ‘Laat me met rust…!’ roept Gelu kwaad. ‘Laat me met rust,’ herhaalt hij zachter.

            Hij liep naar het raam, leunde met een hand op de vensterbank en keek naar buiten.

            ‘… moet je toch eens kijken, je bent gewoon vel over been. Daarom voel jij je de hele tijd slaperig, daarom heb je geen pit in je lijf... Ik heb mijn hele leven goed voor mezelf gezorgd, en mijn man ook. Nu nog zie ik dat hij zijn bord helemaal vol schept en er brood in kruimelt en er een prutje van maakt, en zo lepelt hij dat dan naar binnen. Man, zeg ik tegen hem, als ik hem zo zie, man, zeg ik, jij lijkt die oude Mealache wel, die gooide zijn soep en zijn hoofdgerecht bij elkaar als zijn schoondochter hem zijn eten voorzette. Waarom zou ik mijn mond twee keer opendoen, zei hij, als het toch op dezelfde plaats terechtkomt? En als ik dat tegen mijn man zeg, zegt hij: Nou, ben ik dan niet oud? Denk je soms dat ik niet oud ben? Vergeet niet dat ik van de zomer negenenzeventig word...

            En hij heeft gelijk dat hij oud is! Als hij niet oud is, wie dan wel?’ roept ze over haar schouder tegen de jongen.

            Een niksnut ben je, ellendig kind...! Hij lijkt haar vent wel, net zo stuurs en in zichzelf gekeerd, wie weet welke vrouw hij het leven zuur gaat maken! Een niksnut ben je, als je dat maar weet, als je mijn zoon was geweest, zou ik het wel uit je hebben gemept, dan maakte ik een kerel of van je... Op zijn leeftijd zou je toch mogen verwachten dat hij een greintje verstand heeft, dat als hij wat zegt, dit ook ergens op slaat. Het is de schuld van zijn moeder, die heeft hem vertroeteld, en nu komt ze haar beklag doen: ‘Ik weet niet wat ik met Gelu moet beginnen,’ jammert ze. ‘Ik weet niet wat ik met hem aan moet. Hij sluit zich de hele dag op in zijn kamer, hij heeft nooit iets tegen mij te vertellen, en als ik iets tegen hem zeg, voelt hij zich in zijn kuif gepikt en krijg ik een grote mond. Ik heb het gevoel dat hij anders was toen zijn arme vader nog leefde en er zijn andere sfeer in huis leek te hangen, jij weet best hoe hartelijk en vrolijk Ilie was,’ klaagt haar schoonzusje.

            ‘Wat je moet doen? Je kunt niets doen, laat hem in zijn eigen sop gaarkoken,’ zegt ze tegen haar.

            Maar in gedachten: waarom verbaast het je dat hij nors en gesloten is, hij lijkt immers op jou, hoe was jij dan vroeger? Hoe was jij dan tegen mij en tegen andere mensen die bij jou over de vloer kwamen?

            Ze verdient het om al die dingen recht voor z’n raap te horen te krijgen, maar ze heeft geen zin meer om met haar te bekvechten. Haar schoonzus had enorm geboft met die arme Ilie, God-hebbe-zijn-ziel. Hij was geen sterke persoonlijkheid, die arme Ilie, en haar hele leven heeft ze hem om haar vinger gewikkeld, nooit was haar schoonzus blij als ze de deur voor haar opendeed, nooit had ze haar gemogen, ze vond het vast zonde van die vijfentwintig lei die Ilie haar soms stiekem toestopte...

            ‘Pak aan, Vica, dan heb je geld voor de tram als je weer eens bij ons langskomt...’ zei hij tegen haar vanuit de deuropening.

            Nu is haar schoonzus veranderd, nu ze alleen op de wereld is komen te staan.

            ‘Kom nog eens langs, Vica, dan kunnen we weer eens bijkletsen,’ zegt ze, ‘want het huis galmt in mijn hoofd van al die stilte...’

            En zij komt langs, kijk, zij komt langs zoals vandaag, klust wat in huis, verstelt iets, strijkt iets, maar zij heeft er ook niet meer zoveel kracht toe. Als je maar niet hulpbehoevend wordt, niet afhankelijk bent van je familie, van niemand, want dan word je voor de wolven gegooid. Dat zei madame Ioaniu altijd. Dat was een wijze vrouw, madame Ioaniu, wijs en geraffineerd, twee echtgenoten heeft ze gehad, en die heeft ze allebei naar hun graf gebracht.

            ‘Ouderdom is de ergste kwaal, Vica, ouderdom is de ergste kwaal, dat je bij andere mensen moet aankloppen...’

            Hoe vaak ze dat niet tegen haar heeft gezegd...!

 

Twee

‘Neem jij het maar, want ik heb geen trek. De tafel ligt vol met mijn papieren en het staat mij alleen maar in de weg...’

            Gelu kwam het bord met brood en kaas terugbrengen. Hij staat daarmee in zijn handen, besluiteloos, schuin tegen de deurstijl geleund; hij komt niet binnen, maar gaat ook niet weg.

            ‘Eet jij het maar op, want mijn hoofd staat niet naar eten.’

            Maar ze pakt het bord aan, zet het op een hoek van het buffet en zit te rommelen aan het gasfornuis: ze haalt de branders eraf om ze te wassen, legt ze in de gootsteen. Als zij zich naar hem zou omdraaien, zou de jongen haar tandeloze grijns zien; ze heeft net haar gebitje uitgedaan, het zit niet lekker en ze kan het niet langer verdragen. Die verdomde nietsnut, lacht ze. Kijk, hij heeft er spijt van dat hij haar heeft afgesnauwd, alsof hij haar wilde opvreten, verdomd als ’t niet waar is, en wat had zij dan misdaan? Ze was hem alleen iets te eten komen brengen... Misschien is hij nog niet zo’n kwaaie, maar hij slecht opgevoed, het is de schuld van zijn moeder, die heeft hem van kinds af aan vertroeteld. Gelu’tje hier, Gelu’tje daar, nu eens dit, dan weer dat. Toegegeven, hij was een schatje om te zien, hij was een mollig en mooi kind, en met krulhaar, een plaatje. Toen hij klein was, deed zij hem in bad en wreef zijn polsen in met olie, en ze spuwde op hem tegen het boze oog, en ze zoende hem op zijn billetjes en nam hem mee naar de winkel. Onder de toonbank, dat was zijn plekje. Hij kroop rond en keek naar de weegschaal. En toen, na de geldhervorming, heeft haar man hem een zak vol geld gegeven om mee te spelen...

            ‘Nou, eet dan, waar wacht je op?’ zei hij op bitse toon.

            Krijgt hij het weer op zijn heupen, Joost mag weten waarom! Hij liep de keuken uit en ging naar de andere kamer.

            Hij schiet zomaar uit zijn slof, ineens... Ze steekt haar hand uit, pakt een stuk brood zonder korst, wat kaas en stopt het in haar mond. Het loont niet om haar gebitje in te doen, want dat zit niet lekker. Vijfhonderd lei heeft ze die vent betaald die het gemaakt heeft, en nog is het niet goed gelukt, ellendige rotvent... Misschien is hij, die Gelu, nog niet zo’n kwaaie, maar hij springt zomaar om niets uit zijn vel; wat wil je dan, hij is inmiddels ook geen kleine jongen meer, misschien heeft hij behoefte aan een vrouw...

            En weer steekt ze haar hand uit, pakt een stuk kaas tussen haar vingers en propt het in haar mond. Wat had hij haar toen afgesnauwd, zeg, alsof hij haar wilde opvreten, verdomd als ’t niet waar is: een jaar of zo geleden, niet eens, toen die arme vader van hem overleed, toen die arme Ilie overleed. Die arme Ilie lag dood op tafel en de mensen liepen af en aan, allerlei mensen, collega’s van zijn werk, mensen uit de flat, buren van waar zij vroeger hadden gewoond, iedereen met een bloem, met een kaars, zoals men dat doet... En zij voelde zo’n verdriet in haar ziel dat ze niet wist waar ze het zoeken moest... Maar al vroeg was ze aan komen zetten met vijf kilo vlees, mooi mager vlees, ze had geld geleend van buurvrouw Reli, en vanaf vijf uur had ze in de rij gestaan voor vlees, wat er door haar heen ging, dat wist alleen zij... Dat je vlees gaat kopen voor een begrafenismaal... Maar ze hadden geen koelkast, het was er niet van gekomen om een koelkast te kopen, die arme Ilie, en bovendien, wie dacht er toen nog aan vlees? Haar schoonzus moest door twee vrouwen overeind worden gehouden, ze zat te weeklagen en kon gewoon niet geloven dat ook haar beurt was gek

 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Vasile Ernu
Translated by: Monika Oslaj

Oda sovjetskom toaletu

Oda sovjetskom toaletu Posvećeno Iliji Kabakovu Za sovjetskog građanina ne postoji ništa intimnije od toaleta (Dopustite mi sa velikim poštovanjem koje imam prema ovom mjestu i ovoj ...

Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx