Verblindend (Boek Drie): Rechtervleugel (Fragment)

Mircea Cărtărescu | August 21, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

De Roemeense Revolutie, een deerne van wel tien meter groot, met naakte borsten die door de met katoengaren geborduurde boerenblouse heen schemerden, waarop een ketting van Oostenrijkse dukaten hing, en met heupen gesnoerd in een rok van natuurzijde met een schort voor en achter (klederdracht uit Argeş, kon niet missen), schreed verheven over de 1848-Boulevard, terwijl haar zwarte lokken wapperden in de ochtendlijke koolmonoxidebries. Wie vanaf een balkon in de verte haar edele profiel zag, als een camee, dat zich tussen de eclectische, vervallen en vergeelde bouwsels verhief, kon een ogenblik denken dat een cyclopisch standbeeld de fonteinen op de Boulevard van de Overwinning van het Socialisme zou komen opsieren of boven op het Huis van het Volk zou worden geplaatst als een allegorische belichaming van de Dacisch-Romeinse etnogenese, of als een provocerende replica van het Vrijheidsbeeld uit het Rijk van de Slavernij: het Huis van het Volk kon immers ook beschouwd worden, althans qua volume, als het grootste gebouw ter wereld, dat het Pentagon het nakijken gaf… De kijker zou zich echter dadelijk de ogen hebben uitgewreven, zodra hij de gebaren van de marmerachtige en toch levende armen van de reusachtige vrouw had opgemerkt, waarmee ze de colonnes arbeiders aanspoorde haar te volgen, alsmede de glans in haar amandelvormige en braamkleurige ogen, waarboven dikke wenkbrauwen zich welfden, lieflijke Roemeense vrouwenogen zoals je die nergens anders ter wereld tegenkwam. Dan zou hij zichzelf geknepen hebben omdat hij meende te dromen, maar nee, het was geen begoocheling van het onderbewustzijn dat dag en nacht alleen aan haar en haar alleen dacht: als het droom was, dan was het de dagdroom van de fiere Roemeense natie voor wie, in navolging van anderen, nu ook het uur der ontwaking had geslagen. De maïsgries was uiteindelijk toch geëxplodeerd, en uit de gulden korst ervan was die pracht van een meid met de driekleurige linten in het haar tevoorschijn gekomen, zoals op feesten uit de wilde jaren een badpakmeisje opdook uit een reusachtige taart te midden van de champagnekoelers, serpentines en mitrailleurs. Er was geen twijfel meer mogelijk, dit was de Revolutie, en de man op het balkon, zonder zich iets aan te trekken van het feit dat hij enkele minuten eerder collateraal was geboren uit een bekrompen verhaaltechnische noodzaak, dook ineens weer zijn appartement binnen, struikelde over zijn pyjamabroek, die hij meteen wilde uittrekken, zodat hij naakt was, met een buikje dat weinig flatteus over zijn lachwekkende toebehoren hing, vervolgens trok hij in grote haast wat kleding aan en stormde, nog niet volledig gekleed, de deur uit om te voorkomen dat hij te midden van de nationale begeestering als enige scepticus zou achterblijven. Laten wij hem ook volgen, nu wij hem toch eenmaal hebben verzonnen, door een stel straatjes met bouwvallige herenhuizen, blakend in de zon van een ongebruikelijk warme winterdag, voorzichtig in zijn voetspoor tredend en goed oppassend dat we niet op zijn losse veters trappen. Onderweg naar de boulevard bukt hij zich en raapt een nat, blauw rangtekenop, dat op onverklaarbare wijze is losgeraakt van de kraag van een militair van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Dolgelukkig stopt hij hem in zijn zak, met de gedachte hem later aan zijn kleinkinderen te laten zien, als hij die ooit krijgt, zodat hij kan opscheppen dat hij het in het heetst van de gebeurtenissen eigenhandig de soldaat afhandig heeft gemaakt, nadat hij hem een stel stevige meppen had verkocht. Zodra hij de boulevard opliep, langs een stel armzalige etalages met kantoorartikelen, werd ons personage, zo virtueel als pi-mesonen, getroffen door de enorme uitbarsting van volksvreugde, waarvan hij de echo’s tot op dat moment slechts vaaglijk had opgevangen, als het gedempte geluid dat uit het Dinamo- of het Ghencea-stadion opsteeg wanneer een speler een overtreding maakte in het strafschopgebied.
Een rivier van mensen, net als bij de viering van 23 Augustus, stroomde door het ravijn van koopmanshuizen met gebarsten en vergeeld pleisterwerk, waarvan de balkons uitpuilden van de personen die applaudisseerden, de vuist omhoogstaken in de fletse winterlucht of – het vaakst – een tot dan toe ongehoord gebaar maakten, want de Boekarestenaren hadden het hoogstens met één enkele vinger gemaakt, de middelvinger, nu eens geheven naar de glorie des hemels, dan weer bestemd voor een bevallige vrouwspersoon in een voorbijsnellende tram, dan weer, het vaakst, naar de eigen mond, wat geenszins de betekenis had van het universele ‘ik heb honger’, maar insinueerde dat het leergierige pubermeisje, met haar tas vol lesmateriaal op schoot, van wie door de raam van de trolleybus een glimp was opgevangen, eigenlijk een kanjer van een stoephoer was die zich te buiten ging aan vuige orale seks – met twee gespleten vingers, net zoals kinderen hoorntjes maken wanneer ze op de foto worden gezet. Met pathetisch gezwollen spieren, met op hun afbladderende voorhoofd aders die op het punt van knappen stonden, volgden de atlassen die de balkon stutten alleen met hun ogen – kwieke, groene of blauwe kijken in hun bebaarde stucgezichten – de colonnes van arbeiders, en de mascarons met hun gruwelijke Gorgonenkoppen lieten de slangen in hun haar wriemelen, die kronkelden als steeltjes van smaragd, in de hoop dat ze in hun bloedkleurige orchideeënbekken een slachtoffer met een Russische muts diep over de ogen getrokken te pakken konden krijgen. Eenmaal opgeslokt door de menigte raakte ons personage, dat slechts één nanoseconde levend was geweest, verstrooid in de van latente energie kolkende leegte van de blanco pagina, waarin alles ontstaat, omdat alles is voorbestemd in haar graf terug te keren. Aan ons de taak om zelf het grootse defilé te beschrijven, en voor dat doel zullen wij ons een ogenblik ter hemel verheffen om de stad die vandaag in een feestgewaad is gehuld beter te kunnen zien. Boekarest – herdersnest, plaagde Mircea’s vader hem steeds, met een toespeling op de legendarische Bucur, de stichter, wiens herkomst zoek is geraakt in de nevelen van Walachije, maar die de eerste schaapskooi had gebouwd naast het modderige water van de Bucureştioara, of in de nabijheid van de Dâmboviţa, met haar zoete water. Ten tijde van Vlad de Spietser, die niet Dracula was, maar een koene en rechtvaardige heerser, met enkele vreemde trekjes waarmee, zoals bekend, iedere geniale geest behept is (het was voor iedere Roemeen een erezaak om de onterende verwarring verder te verspreiden), was de stede Boekarest gegroeid, te midden de bossen die wemelden van de wilde dieren, en had zich verfraaid met mooie kerken, opgericht als dankbetuiging voor overwinningen in de strijd behaald door de prins met de reusachtige stralende ogen en de snor die tot over zijn enorme vochtige onderlip droop. Na iedere veldslag werden de gevangenen, Turken, Tartaren of Roemenen uit een ander landje, onderworpen aan een bijzonder delicate operatie. Met speciale houten hamertjes werd er, millimeter voor millimeter, een staak in de bilnaad gedreven – en niet in de anus zoals met evidente kwade wil is geïnsinueerd door irredentistische historici –, zodat de punt ervan precies doordrong in de ruimte tussen de lichaamswand en het vlies dat de inwendige organen omhult, zonder enige membraan te beschadigen en zonder enig orgaan te verwonden, totdat de staak door de rug weer naar buiten kwam, links of rechts van de wervelkolom. Daarna werd het onderwerp van deze operatie opgetild en zou hij, levend en (vrijwel) ongeschonden, een flink aantal dagen in deze schilderachtige positie blijven die duidelijke voordelen had boven de uit de mode geraakte kruisiging. Wanneer er genoeg van dergelijke menselijke artefacten waren vervaardigd om een dichte lommer te bieden (men ging ervan uit dat een stuk of twintigduizend wel volstond), ging de vorst eronder zitten picknicken, waarbij hij links en rechts heildronken uitbracht met zijn gouden bokaal, ingelegd met saffieren en robijnen, op de gezondheid van zijn teerbeminden. De stank van de gespietsten, die al bestorven waren en wier ogen door vogels waren uitgepikt, verkwikte de vorst, gelijk een zilte zeebries. Alle burgers van het kleine Walachijse vaderland waren deelgenoot van de grootsheid van de befaamde heerser, want bij alle fonteintjes werd er water gedronken uit zeer gelijksoortige bokalen, die op de rand van de fonteintjes waren achtergelaten, zonder ketting of bewaking, want als iemand betrapt werd bij een poging deze te stelen, werden de ledematen doorboord (en niet per se alleen de ledematen die bij de diefstal betrokken waren). Bedelaars die waren gesnapt bij het bedelen aan brughoofden, werden samengebracht in een herberg, stevig gefêteerd op kosten van de vorst, waarna ze in brand werden gestoken, hetgeen, naar de smaak van sommigen, een bijzonder vermakelijk schouwspel was. Naar het hof van de verheven heerser kwamen dikwijls gezanten uit de verst gelegen streken, die offergaven brachten de koningin van Saba waardig. Deze werden gewoonlijk door Albanese huurlingen afgevoerd op draagbaren, aangezien het nogal moeilijk lopen is op je eigen benen wanneer je tulband met een dozijn grote timmermansspijkers stevig is vastgenageld aan je schedel. De nationale dichters en schilders staken elkaar naar de kroon bij het beschrijven van de nobele aard en morele verheffing van dergelijke taferelen.
De stad groeide rondom de torentjes van de Metropolie, dijde uit over de heuvels in de omgeving, veranderde in de melancholieke etsen van buitenlandse reizigers, die op een kluitje gebouwde huizen afbeeldden, gehoed door een met koepels bekroonde kerk, onder een reusachtig banier dat zich tegen de lucht aftekende en strak wapperde, waarop geschreven stond bukarest, bucarest, bukreş, of iets dergelijks, in de merkwaardigste spellingswijzen. Rond het jaar 1800 had de stad vorstelijke hoven, plompe herenhuizen, waartussen zich enorme tuinen en door onkruid overwoekerd braakland uitstrekten, herbergen en modderige wegen, uitgestrekte achterbuurten, met geraniums in met runderblaas afgedekte vensters, ontklede vrouwen die baadden in de rivier waarin ook afvalwater werd geloosd en waar ook eenden en snoeken langs hun publieke naaktheid gleden, Fanarioten met enorme hoofddeksels, naar knoflook ruikende boeren met draagjukken op hun schouders, zigeunerinnen met naakte borsten, huifkarren die moeilijk vooruitkwamen door de met mest gevulde sporen, dikke rookwalmen uit vervallen schoorstenen, ooievaars die rondcirkelden boven blinde muren en lemen optrekjes, ingestort boven naakte en hongerige kinderen die met hun blote piemel in het stof speelden. De Colţea-toren, log als een lemen ziggoerat en net zo breekbaar, verhief zich toen zo’n zeventig meter boven het marktstadje met de kronkelende stegen en priemde door de sombere wolken heen die als lome zeilschepen boven de Bărăgan-vlakte deinden.
Van die stad was nu alleen nog overgebleven wat de bewoners als het ‘historisch centrum’ aanduidden: drie bij vier straatjes, met vreselijk bouwvallige huizen, met ontbrekende kinderkopjes, met braaklandjes waarop de karkassen van koelkasten, dode katten en stinkende todden werden weggeworpen. In de raamloze vensters, waar de kozijnen uit waren gesloopt, verscheen af en toe het warrige hoofd van een straatschooiertje, en zigeunerinnen met bloemrokken gooiden teiltjes met afwaswater over de voorbijgangers op de Lipscani-straat, die zich verdrongen om goedkoop schoeisel op de kop te tikken of hun aanstekers te laten bijvullen bij morsige kraampjes. De mond van een oude man, met gebroken en vergeelde kiezen, en meestal met kaal tandvlees, dat is het historische centrum dat we als eerste zien terwijl we opstijgen in de montgolfière, als een maquette van verval en troosteloosheid.
Eromheen was Klein Parijs ontstaan, en rondom Klein Parijs het België van het Oosten. Rond 1900 getroostte het Koninkrijk Roemenië zich grote inspanningen om te moderniseren. Er waren neoclassicistische gebouwen neergezet, met zuilen, architraven en frontons vol met godinnen van Justitie, Landbouw en Nijverheid, de mannen van het volk waren op hun sokkels geklauterd, waar zwaarlijvige muzen, met vlezige heupen van brons, hun de ganzenveer aanreikten, er strekten zich rails uit waarover paardentrams waggelden, er waren boulevards aangelegd getooid met de namen van Hunne Majesteiten, want we hadden nu een Duitse dynastie die rechtstreeks afstamde van de almanak van Gotha, namelijk Hohenzollern-Sigmarinen, Carol Hop z’n Bol, zeg maar Ria, zoals de boeren hem noemden, die niet gewend waren aan het nobele rollen van de Duitse woorden, zoals ze decennia eerder, tijdens de herendienst, hadden gekletst over de daden van Boon Apart, de keizer van de Fransen. De Universiteit, de Grand Hotels op de ‘boelevaar’, restaurant Capşa, de auto’s die achter de koetsjes aan ratelen op de Kiseleff-weg – dat alles zou die fijngevoelige bijnamen van hen, hun flatterende vergelijkingen met de landstreken van de beschaafde wereld waardig zijn geweest, ware het niet dat ze zich ongemerkt vermengden met de eerdere stad, want de veemarkten, de nerinkjes waar most werd verkocht en de venters, de achterbuurten met de hondenvangers en hun beruchte liefdesavontuurtjes, de vuilnisgravers en de lijkenvreters, de twaalfjarige kindertjes die zich afbeulden voor hun meester en de van de syfilis wegrottende temeiers bij het Stenen Kruis vielen evenzeer te aanschouwen als de paleizen met zuilengangen en de standbeelden van Pache, de grondlegger van de metropool aan de Dâmboviţa. De geur van moussaka, worstjes en koolrolletjes steeg op boven de nieuwe Vesting van het Licht als een Byzantijnse deisis, die, overvloedig gekruid, verhevenheid en verdorvenheid onder één noemer brengt.
Steeds hoger opstijgend in onze gestreepte ballon omvatten we met onze blikken het Boekarest van tussen de oorlogen, of van na de Grote Oorlog, zoals men toen zei, want de dappere, kleine natie aan de Donau had zich ook, net als in ’77, in het vuur van de veldslagen geworpen, die ze de een na de ander had verloren, ondanks de wonderen van heldenmoed bij Mărăşeşti, Mărăşti en Oituz, toen onze soldaten alleen in hun onderbroek hadden gestreden tegen de Duitsers, die het voordeel genoten dat ze wel reglementair voorgeschreven uniforms droegen. Vreemd genoeg kreeg het jonge koninkrijk na het totale militaire échec zowaar een dubbel zo groot oppervlak en een dubbel zo omvangrijke bevolking in de schoot geworpen en verwierf derhalve ook pretenties van politieke, economische en bovenal intellectuele meerderwaardigheid ten aanzien van onze Bulgaarse broeders met hun welbekende dikke nekken. Modernisme, liberalisme, avant-garde, de vierkantige architectuur van de internationale bouwstijl – we hebben ze allemaal dubbel en dwars gehad, en onze vlucht boven de stad bewijst dat we ze nog hebben, in tamelijk goede staat, met uitzondering van de paar appartementencomplexen die tijdens de aardbeving zijn ingestort. Het is een stad met rode stip, met verroeste drinkwaterinstallaties, met vocht op de muren, onverslaanbaar als een barbaarse natie, met interieurs die stinken naar ouderdom en ziekte. Hij wordt bewoond door een gevarieerd assortiment van partijbonzen, securisten, volkskunstenaars, directeuren van de staatsgrutters, zangeressen van lichte muziek en dichters van de nieuwe tijden, de fauna die de vorige generatie heeft vervangen ten tijde van de nationalisatie, toen de adders van het regime van grootgrondbezitters en kleinburgers zijn verdreven. De wijken met door reusachtige haagbeuken beschaduwde herenhuizen hebben het sindsdien overleefd, maar omdat ze zijn verwaarloosd en afgebladderd en vol staan met ordinaire meubels, zijn zij ook, geleidelijk aan, vervallen tot de staat van sinistere kasten van huizen, met ieder een Dacia zonder wielen in de met een roestig hek afgesloten voortuin.
Maar terwijl de oude stad stapsgewijs achteruitging en werd overspoeld door met een vrolijke en niet-betalende nomadische bevolking, was de nieuwe stad al bij zijn ontstaan een bouwval. Voorbij de cirkel waarover tram 26 lui voortglijdt, afgeladen met gipsen etalagepoppen die met watten gevulde broden meezeulen, strekken zich de nieuwe arbeiderswijken uit, die na 1950 in een steeds rapper tempo uit de grond zijn gestampt voor de werkers klasse, ten bewijze van de zorg voor de mens die de Partij de arbeidende klasse toedraagt. Hectaren met woonkazernes, allemaal met dezelfde moeder en dezelfde vader, lucifersdoosjes waarin je je kont niet kunt keren, betonnen cellen met plafonds die ieder moment naar beneden lijken te komen om je levend te verpletteren. Flats en nog meer flats, op een handbreedte van elkaar, met gecodeerde namen als de onderdelen op een elektronische plaat, flats met uitpuilende vuilstortkokers die stinken naar huishoudelijk afval, met buizen van giftig lood waarop de kranen zijn aangesloten, met radioactief lood in de alomtegenwoordige betonplaten. Legboerderijen voor mensen, grauwe vernietigingskampen waar wangen invallen en huid verwelkt. Duizenden, tienduizenden flatgebouwen voor de arbeiders met papierdunne muren, waardoorheen je het geboer, gescheld, gepers en gekreun van de buren hoort. Flatgebouwen waar ’s winters het water in de radiatoren bevriest en ze doet barsten, waar het ’s zomers zo heet is dat je hersenen gaan koken. Honderdduizenden flats met in de hal verroeste en gebutste brievenbussen, met servicekostentabellen die zijn bekrast door analfabeten, met de stank van soep en gekookte kool op de trap, met obscene krabbels en tekeningen op alle muren, bewoond door een meute die niets anders kende dan werk en thuis, door tandeloze vrouwen, door harige kerels, in hemden, door psychopathische kinderen die heksenklets achter de flat speelden, tussen de Dacia’s en de Oltcits. Met de tijd zijn ook deze bouwvallen verder vervallen. Decennia geen lik verf, jarenlang geen spijker ingeslagen. De prefab-platen zijn gebroken en het ijzer van de wapening is op onverwachte plaatsen tevoorschijn gekomen. De relingen van de balkons zijn verroest. De spleten in de muren zijn zo groot dat je vuist erin past. Op alle balkons hangen rijen ondergoed te drogen, slierten worsten, gebroken plastic plantenbakken waarin jonge katjes krioelen, bij ontstentenis van bloemen, van het bestaan waarvan geen mens op de hoogte lijkt te zijn. Flats waar geen ontkomen aan is, want je bevind je in Noord-Korea en kameraad Kim, in Kaukasische variant, waakt over het geluk van alles en iedereen. De wijken Primăverii, Cotroceni en Floreasca, onder haar reusachtige glazen koepel, zijn fatsoenlijke plekken in de stedelijke kosmos die zelfs onze glimlach en de spotlust op onze lippen doet bevriezen.
Wij zijn vrolijk met dit hoofdstuk begonnen, maar we moeten toegeven dat onze stemming is gedaald. Wij hebben het helemaal gezien: ons ganse leven op een flatje, van het ene naar het andere getto, in nautiluscompartimenten met beperkt budget (nulbudget), met een bijpassende lotsbestemming: geboorte, werk, dood, waar alleen de statistisch gezien onmogelijke ontmoeting (maar ook het heelal is statistisch gezien onmogelijk) met Herman een stokje voor heeft gestoken. De zaaier is naar buiten gegaan om zijn erf in te zaaien, maar het zaad is op geprefabriceerd beton gevallen, want er was niets anders in de buurt. Hoe zou daar een zonnebloem of een orchidee uit moeten voortkomen? Wat zou er voor de engelen, bij het einde der tijden, te oogsten zijn van de miljoen zaadjes die waren rondgestrooid in de arbeiderstehuizen en eenkamerappartementen comfort IV? Zal de verlossing komen te midden van de kakkerlakken? Zal de engel op de overloop staan, naast de vuilstortkoker, waar zijn vleugels besmeurd raken met restjes hachee en hij met zijn triangel-en-carillonstem zal spreken: jij wel, jij niet, jij wel, hij niet…?
Maar de traan droogt al snel op onze wang, want we hebben een taak die we tot een goed einde moeten brengen. Enfin, kijk wat we nu waarnemen, op die milde ochtend van de 22e december, vanaf de hoogte waarvan wij de hele stad kunnen overzien, tot aan de ringweg, waar het verkeer vastzit in de file: overal vandaan, van de rand van de megalopolis, van de industriegebieden in de buurt van de warmtecentrales en de eindpunten van de trams, slingeren zich eindeloze colonnes burgers tussen de schaduwen van de watertorens en de verlaten fabrieken door en stromen in de richting van het Centrum, als de stralen van een middelpuntzoekende zon. Het kan niet anders of er zit een vooropgezet plan achter: vanaf de fabrieken van 23 August en Nieuwe Tijden, en vanuit de wijken Pipera en Dămăroaia leken de colonnes te vertrekken in een volgorde die afhing van hun afstand tot het Centrum en ze verplaatsen zich in een ritme alsof ze (telepathisch?) met elkaar communiceerden. Door de resolutie van het beeld te vergroten zien we de vloedgolf in triomf tussen de rijen woonkazernes met tien verdiepingen passeren, terwijl vanaf de balkons ontelbare mensen naar het defilé wuiven. Toegegeven, de kunstbloemen, portretten, praalwagens en borden met Roemeense Communistische Partij ontbreken, daarentegen wordt er volop met driekleurige vlaggen gezwaaid, waaruit het staatswapen met zorg is verwijderd, zoals blijkbaar spontaan in het hele land is gebeurd. De colonnes zwellen steeds aan naarmate ze vorderen, aangevuld met de bevolking van de flatgebouwen waarin alleen de huisvrouwen en kleine kinderen achterblijven, want Kerstmis staat voor de deur en dit is niet het moment om je pannen zomaar op het vuur te laten staan, al vergaat de wereld. Als we weer, deus ex machina, op straathoogte komen, wordt onze blikken getrokken, afgezien van het algehele enthousiasme en de luidruchtige omhelzingen (‘tjonge, man, man,’ zou iemand later vertellen, ‘wat een dag was me dat, echt niet te geloven! Als iemand me toen het hemd van m’n lijf had gevraagd, dan zweer ik je dat ik het hem gegeven had!’), door enkele merkwaardige details: op de boulevard staat op alle muren geschreven, in dezelfde poepkleurige koeienletters: weg met de schoenmaker en zelfs weg met ceuşescu. Verder staat er overal pelotons van de militie, die zich afzijdig houden, in hun wintermantels, met hun petten op het hoofd, en de mensen aangapen met een verbijsterde blik op hun gezicht, alsof ze die kerel uit de mop zijn, die zijn hoofd in de wc-pot stopt omdat hij heeft gehoord dat je na het scheren eau de toilette hoort te gebruiken en die voor de lift blijft staan waarop geschreven staat ‘Lift voor vier personen’ om op nog drie personen te wachten zodat hij naar boven kan. Die lui met kogelronde hersenen, waarop maar één plooiing te zien is, en die blijkt uiteindelijk niets anders te zijn dan de afdruk van zijn pet…
De mensen lopen zonder hun vroegere angst aan hen voorbij, ze giechelen, grijnzen (ellendige flikkers, nou zijn jullie eindelijk eens aan de beurt!) en laten zich verder meevoeren door de menigte, zonder te weten wat er verder te gebeuren staat. Zij schreeuwen dezelfde leuzen als de jongeren van de afgelopen nacht: ‘Olé, olé, olé, olé,/ Ceauşescu is voorbij!’ en ‘Kom met ons mee-hee!’ en ‘Vrij-heid./ Vrij-heid!’, maar er zijn ook subtiele verschillen: er wordt niet meer gestorven, er wordt niet meer geslagen, er wordt niet meer gearresteerd. De hoofdweg, die naar de Universiteit leidt, is niet breed genoeg voor de reusachtige colonne. Er wordt langzaam gelopen, zoals wanneer de bioscoop uitgaat, wanneer je je voorganger op de hielen trapt. Maar dat is nog niets vergeleken bij de ongekende maalstroom op het Universiteitsplein, dat is omgord door militiemannen die in rotten op de trappen van de Nationale Schouwburg zijn geklommen. Hier zijn de colonnes samengekomen die uit alle wijken zijn toegestroomd, en dan zet de menselijke vloedgolf zich na enkele momenten van desoriëntatie, spontaan, lijkt het wel, opnieuw in beweging op de Magheru-boulevard. Op de punten van haar tenen ziet een middelbare scholierster in de verte de achterkant van een tank waarop een hele meute mensen met vlaggen is geklauterd, die met honderd handen tegelijk het teken van de overwinning maken. In een flits van inspiratie stijgt uit ieders binnenste op: ‘Het leger is met ons!’ De leus doet de temperatuur in één keer met tien graden stijgen. Over de hele lengte van de boulevard wordt eindeloos gescandeerd ‘Het leger is met ons! Het leger is met ons!’ Het lijkt erop dat er meer van dergelijke tanks zijn, bedolven onder de mensen, die langzaam vooruitkomen door de waanzin op de boulevard, net als de praalwagens van vroeger waarop sportlui piramides maakten en weefsters aan het weefgetouw werkten en waarop statistieken in huizenhoge letters de resultaten van het laatste vijfjarenplan toonden. Voor de tanks uit reed een militair voertuig waarop de trechters van twee megafoons waren gemonteerd. Iemand sprak nadrukkelijk en herhaalde steeds dezelfde zinnen die net zo tussen de muren van de luxehotels galmden als het ‘Aan de kant!’ waardoor aan de officiële colonnes in hun spookachtige passage werden voorafgegaan. Wie was de wijze, verantwoordelijke en almachtige godheid die vanuit de pantserwagen de meute toesprak? Wie had de overweldigende taak op zich genomen de massa naar de vrijheid te geleiden? Niemand vroeg zich dat af, misschien moest het wel zo zijn, zoals het je in een droom niet verbaast dat je naakt over straat loopt. En aan de einder, badend in het oranje licht van de ochtend, is daar de Roemeense Revolutie, rijzig tot de derde verdieping van de gebouwen, en desalniettemin buitengemeen vrouwelijk – zodat een stelletje botteriken in haar nabijheid voortdurend proberen onder haar rok te gluren – met een rinkelende halsketting bungelend op haar borst en met wiegelende tred, die de burgers aanspoort op de weg van de glorieuze geschiedenis van het volk. In het schuin invallende licht, zijn de stiksels en versierselen van haar blouse verzadigd van kleur, zodat ze een feestelijk tintje krijgen. De lovertjes op haar rok, zo groot als schoteltjes, glinsteren paars en werpen bedrieglijke weerspiegelingen op de etalages van de bioscoop Scala en van de boekwinkel Sadoveanu.
Met een tamelijk platvloers maar effectvol cinematografisch procédé (want geen enkele ware kunstenaar negeert de fantastische kracht van het cliché) zwenken we over het merkwaardige defilé waarin zoveel herinneringen elkaar snijden – de verhitte supporters die het stadion van Dinamo verlaten, met wapperende vlaggen in de ramen van de trams, als de hele Ştefan de Grote-weg in beslag wordt genomen door donkere jochies, met hun oorverdovende gescandeer: ‘Di-na-mo, ye, ye, Di-na-mo!’, de eindeloze rijen voor vlees bij Obor, waarover het standbeeld van de boer met zijn in 1907 ten hemel geheven vuist een sinistere schaduw werpt zoals in Chirico, de defilés ter gelegenheid van 23 augustus of 1 mei –, doen alsof we aarzelen en uiteindelijk zoomen we in op een van die honderdduizenden blozende en enthousiaste gezichten, met wijd naar de hemel opengesperde monden, die identiek lijkt te zijn aan iedere willekeurige andere, zoals de gezichten van mieren als identiek op ons overkomen en zoals een kat van driehonderd jaar geleden identiek is aan eentje van vandaag. Driekwart van wat we zien, zijn gezichten. De bovenkant van het spijsverteringskanaal, waar de analysatoren zijn geconcentreerd, rondom de hersenen, als druppels op een bloem. Zoals aan de onderkant de geslachtsdelen zijn, want wij zijn bipolair symmetrische wezens: boven de verbinding met de ruimte, beneden de verbinding met de tijd. We hebben in onze hersenen neurale structuren die als speciale functie het herkennen van gezichten hebben. Wij zijn niet in staat onderscheid te maken tussen de gezichten van sprinkhanen, maar het menselijk gelaat, dat misschien niet minder anoniem is voor meer geavanceerde wezens dan wij die zich ongezien over ons heen buigen (‘want God kijkt niet naar het uiterlijk van de mens’), krijgt voor ons een enorme resolutie en evenveel betekenis. Net als de misvormde homunculus, die anamorfotisch over de hersenhelften is uitgespreid, bestaan wij voor driekwart uit onze gezicht, waarin het trilstaartje van ons lichaam bungelt. Breng je gezicht dicht bij de ogen van een zuigeling van een maand en hij zal enthousiast reageren. Het hoeft niet eens een gezicht te zijn: een vel papier waarop twee ogen zijn getekend volstaan om een glimlach tevoorschijn te toveren. Misschien glimlachen wij ook zo tegen een masker waarvan wij geloven dat het God is, troosten wij ons ermee dat dit in ieder geval beter is dan de gezichtsblindheid waarmee zovelen lijken te zijn behept…
Het is het gezicht van Mircea, nog bleker en meer ingevallen dan gewoonlijk, met ogen die glanzen van het slaapgebrek, met een gebarsten en gezwollen onderlip, het is Mircea, meegesleurd door de meute in de nauwte bij de Oneşti-straat, waar de colonne linksaf is geslagen, tegen de vitrines van de galerieën Orizont aanschurkt en – dat is nu overduidelijk – zich begeeft in de richting van de grote open ruimte voor het Centraal Comité, waar, achttien jaar eerder, de fatale bijeenkomst had plaatsgevonden. De schitterende winterochtendzon, ongeschikt voor het nemen van foto’s, overbelicht zijn wangen, voorhoofd en adamsappel, maar doet aan de andere kant wel zijn ogen in hun kassen verzinken. Hij rukt op, samen met de menigte, zoals de spermatozoa van een flinke zaadlozing langs de spierwand van de schede glijden, naar het nog onzichtbare eitje dat – zoals alleen wij weten – ze majesteitelijk tegemoetkomt op een kolossale buis van Eustachius.
Mircea is bekaf en hallucineert van de honger. Eigenlijk loopt hij bijna te slaapwandelen, meegesleurd door de mensenhorde, in ieder geval zakt hij dikwijls, minutenlang, weg onder het schitterende oppervlak, als de zee in de schemering, van het bewustzijn. Hij daalt zwemmend af, met trage bewegingen, zijn lokken als van een man-sirene wapperend in de kille luchtstromen, naar de fantastische verdronken steden van zijn geest, waar winter en voorjaar, zon en sterren, herinneringen en verlangens zich vermengen in fractalen en in fractalen van fractalen. En telkens opnieuw hervindt hij daar in de diepte hetzelfde bedwelmende en waanzinnige tafereel, met dezelfde twee wezens die voor immer zijn opgesloten in dezelfde bolgia van de hel: de spin en de vlinder, de beul en het slachtoffer, die elkaar te lijf gaan en elkaar verwonden en weer herstellen en elkaar weer verscheuren, onder de grond, vanwaar geen kreet doordringt. De blanke vlinder, met donsvleugels en gloeiende ogen, worstelt in het smerige web, met nog één vrije vleugel, en vervult de olijfkleurige lucht met miljoenen schubjes, en de spin die naar hem toe stelt over zijn onoverwinnelijke paden, antracietzwart, en hem in zijn glinsterende slijm wikkelt als ware hij een cocon. En vervolgens het vlees en de vloeibaar geworden organen uit het levende, verlamde en bewuste lichaam zuigt, dat niet eens in staat is te gillen. Soms was het onderaardse vertrek – wellicht het enige in het heelal – zijn slaapkamer in Floreasca, waarin hij nooit had geslapen. Andere keren, tegen de achtergrond van de valleien van zijn droom, in het vierde stadium, waarin die meest raadselachtige toestand van de geest, de rem-slaap, zijn staart ontvouwt als een pauw, bevond Mircea zich opnieuw in de psychiatrische gevangenis waar hij, tijdens het voorjaar, na de injecties met monowaterstofchloride van piperidine, tientallen en nog eens tientallen uren had geijld oog in oog met de Rorschach-platen, met hun gruwelijke willekeurige vlinders van inkt, met hun vermogen om dierlijke angsten en engelachtige vertederingen, schaamte en haat en profetie aan je hersens te ontlokken. Met die volmaakt evenwijdige vleugels van gestold bloed en gekristalliseerde urine vermengt zich ook het vreselijke pak slaag dat hij die nacht in Jilava heeft gekregen, de klappen met de rug van de hand tegen zijn mond in de cel waarin drie man waren gesmeten, de in zijn oog schijnende zaklantaarn, de naar knoflook stinkende haat van de verhoorder: ‘Godverdomde klootzak, ben je soms niet goed snik, hé? De straat opgaan, hé? Ik pis in je bek, schijtbak die je bent! Wacht maar, dan geef ik jullie een revolutie, dat je er spijt van krijgt dat die zeug die je heeft geworpen je op de wereld heeft gezet!’ En de zestienjarige jongen die tot het dag werd aan één stuk had gehuild, in een hoekje van de cel, als een zoutzak op het cement, terwijl hij af en toe jammerde: ‘Ze gaan ons doodschieten, mama, ze gaan ons doodschieten!’ En de ander, een van de baardapen, met een geweldig brede rug, alsof hij een van de gipsen Atlassen was onder de balkons van de oude stad, die zonder een kik de klappen verdroeg, want omdat zij zich ergerden aan zijn atletische gestalte hadden ze hem in elkaar geschopt en zijn vingers en ribben gebroken. Daarna was de aardige securist ten tonele verschenen, met valse regenboogkleurige vleugels op zijn rug, die hun gegevens noteerde op wat papieren en zijn oor naar hen toe moest buigen om te kijken of er nog iets verstaanbaars kon opvangen uit een mond met een bebloede tong en gebroken tanden, terwijl hij de omslag van zijn broek weghield van de fysiologische smerigheid in de cel en hen toesprak met christelijk mededogen: ‘Jongens toch, in wat voor schijtzooi zijn jullie nou beland? Hadden jullie dat nou nodig, jezelf in de nesten werken, nu het moment is gekomen om wat van je leven te maken? Man, ik snap echt niet wat er in jullie hoofd omgaat. Wat voor teringzooi hebben ze daar dan, dat jullie niet zonder kunnen, dat je bereid bent te stikken in een container of te verzuipen in de Donau om er te komen? Is het niet beter om in je eigen land te blijven, waar je bent geboren, dat je gratis en voor niets naar school heeft laten gaan, dat je heeft aangekleed en een mens van je heeft gemaakt? Wat ontbreekt jullie dan, jongens? Gratis poliklinieken, lage huur en servicekosten, goedkope leningen zodat je wat meubeltjes kunt neerzetten, een koelkast… Wat hebben jullie niet gehad, makkers, dat je de straat op bent gegaan om stennis te trappen? Eten? Ik zie dat je zo stevig gebouwd bent als een beer. Weten jullie wel, jongens, dat Amerika het land van de vetzakken is, dat ze zich zo volproppen met garnalen en slakken en meer van die smeerboel dat ze er alles weer uitkotsen? Hebben jullie gezien hoe ze kevers aten inMondo Cane? Denk je soms dat dat gelogen was? Zo is het ook niet goed. Verspilling moet er ook niet zijn. Want zij denken geen tel die scharminkeltjes in Biafra waar de vliegen op gaan zitten alsof ze kadavers zijn. Weten jullie hoe de Amerikanen eten? Ze eten de helft van een jampot leeg en daarna gooien ze hem weg. Dat is toch zonde, zeg nou zelf? Is het dan niet beter om het zuinig aan te doen, zoals k’m’raad Ceauşescu zegt? Tuurlijk is het zo dat wij levensmiddelen exporteren, zoals kaas, vlees, maar dat is niet de schuld van de leiding van de partij en de staat. Hebben jullie dan geen greintje verstand? Zien jullie niet hoe die kapitalisten ons bij de kloten hebben? Wat moeten we anders? De k’m’raad heeft het beste met ons voor, hij heeft chemische fabrieken gebouwd, raffinaderijen, het kanaal, hij heeft de Dacia gemaakt, een auto van goed metaal, niet zoals de Trabant, die van bordpapier is. Een jaar op tien geleden lagen jullie aan zijn voeten, want jullie ouders legden jullie in de watten, als een stelletje prinsen. Wilde je chocola? Pak aan, chocola. Wilde je een sapje? Hier heb je een sapje. Echte, van sinaasappelen. “Cico, Cico, sinaasappels in een glas.” Niet die chemische rommel zoals Coca-Cola. En warmte? Was er geen warmte in huis? Ik liet die kleintjes van mij de hele winter in hun onderbroek rondlopen, ze kropen over de grond, ze brandden zich aan de radiatoren. Nu is dat niet meer zo, dat geef ik toe, maar dat moeten jullie de k’m’raad niet aanwrijven, want dat is ook de schuld van die klotekapitalisten. Had de k’m’raad de wereldwijde oliecrisis van ’79 kunnen voorzien? Was hij soms Mafalda? Die lui hebben ons de nek omgedaan, niet onze fouten. En het kanaal dan? Is het de schuld van kam’raad Ceauşescu dat de Duitsers hun stuk niet meer hebben aangelegd, in de Elba of waar het ook had moeten komen? Hij wilde iets goeds doen voor het welzijn van het volk, dat de mensen te eten zouden hebben. Maar zien jullie dan niet, stelletje onbenullen dat jullie zijn, dat we zijn omringd door vijanden? Dat ze allemaal op onze rijkdommen uit zijn? Dat ze ons allemaal dwarszitten? Wie heeft er dan voordeel bij het Roemeense wonder? De Hongaren? De Russen? Als de k’m’raad er niet was geweest, zaten we diep in de stront: de Russen in het land (oké, Gheorghiu-Dej heeft ze eruit gegooid, maar de chef heeft zijn lijn voortgezet: geen inmenging in de binnenlandse aangelegenheden), Transsylvanië naar de Hongaren… dan zouden we het wel kunnen schudden, met een grondgebied waar je nauwelijks je kont kunt keren... Wat moeten jonge warhoofden daarvan snappen? Ze weten hoe de Beatles heten, maar de namen van de Roemeense voievoden kennen ze niet. Ze vinden dat alles wat Roemeens is stinkt. Vertel ze maar over vaderland, over het volk, over plicht: alsof je tegen de muren praat. Ze grijnzen je aan om je duidelijk te maken dat zij echt slimmer zijn. Wee je gebeente, stelletje overlopers en landverraders dat jullie zijn…
Denk nou toch gewoon eventjes na: wat zouden jullie in plaats van de Kameraad hebben gedaan? Ons staal en onze chemicaliën en tractoren zijn te duur geworden, want toen we ze ontwierpen was er nog geen energiecrisis, toen kostte energie geen moer. Maar de prijs van een kilowatt is door het plafond gegaan. En dan zit je met de situatie dat je miljarden hebt gestopt in fabriekshallen en ovens en schoorstenen die je niet uit elkaar kunt halen om ze dan in stukjes te verkopen voor de prijs van pud ijzer. Wij verkochten toch aro-jeeps, fosfaten en nitraten, olie-installaties? Wie koopt zoiets nu nog, als die anderen ze drie keer zo gemakkelijk en zo goedkoop maken? En waar moeten wij dan van leven? Van de lichte industrie, dat is ervan gekomen, en als wij dat hadden geweten, zouden we ons daarop hebben toegelegd. Vlees, kaas, textiel. Man, het is zover gekomen dat we onderbroeken exporteren, godsamme nog an toe. En schapenkaas, want die arme schaapjes hebben toch maar weer het meeste mededogen met het Roemeense volk.
Snappen jullie het nu? Of galmt het in jullie hoofd als in het stadion van Dinamo? We voeren eten uit, maar er blijft ook over voor de bevolking, anders waren jullie hier niet, zo vet dat jullie huid strak staat als een trommel. We geven jullie zoveel als jullie nodig hebben, niet om je vol te proppen, en met de valuta van de export stichten we bouwwerken, monumenten die de eeuwen zullen trotseren, want niemand vraagt nog wat die lui die de piramides of de Taj Mahal hebben neergezet, eigenlijk te eten hadden. De Transfăgărăşanul is de enige autoweg die vanaf de maan te zien is en dan lopen jullie te mekkeren dat jullie niet een worst per dag hebben om jullie darmen te vullen? Het Huis van het Volk is groter dan het Pentagon. Welke van onze voievoden heeft zoiets voor mekaar gekregen? De koning? Valt het Peleş-paleis soms te vergelijken met het Huis van het Volk? Jullie zijn niet binnen geweest om te zien wat een kroonluchters, wat een marmer, wat een ebbenhouten versieringen… Vergeleken daarmee stelt Peleş geen moer voor, neem dat maar van mij aan, want ik ben binnen geweest. Je loopt naar de plafonds te staren totdat je kramp in je nek krijgt, want je kunt er geen genoeg van krijgen.
Maar dan mekkeren zij: er is geen vrijheid. We mogen niet zomaar zeggen wat we denken. Zij en hun gedenk! Misschien denken ze erover hoe ze een of andere del in de koffer moeten krijgen of hoe ze hun haar moeten laten wapperen zodat ze eruitzien als die nichten die rockmuziek maken. Andere gedachten geloof ik niet dat jullie in je hoofd hebben. Vertel maar wat je op je lever hebt, vader, ik hou je toch niet tegen? Heb ik soms je lippen op elkaar genaaid? Als het maar geen dingen zijn die vijandig zijn ten aanzien van de partijleiding, van de k’m’raad, van ons socialistische stelsel. Je kan lullen wat je wilt, tot je er pijn in je kaken van krijgt, als je maar een vent bent, een patriot, een goede Roemeen, anders verdwijn je in het gesticht of in de bajes, want één rotte appel kan alle andere aansteken. Zo is dat overal. Wat, denk je soms dat een Engelsman zomaar op straat kan lopen schreeuwen “Ik prop mijn lul in de koningin van Engeland”? Of een Amerikaan “Ze kunnen m’n rug op met dat Witte Huis”? Misschien roept een of andere gek dat wel, maar daarna krijgt hij de gevolgen voor zijn kiezen. De elektrische stoel, vader, want ook daar kun je niet zomaar alles permitteren! Ik had het er laatst over met een informant van mij, een oud wrak, een ex-lid van de IJzeren Garde (daar heb ik hem ook mee gepakt en ik houd hem stevig vast: die ouwe verlinkt tot hij erbij neervalt), en die zegt tegen mij: “Man, ik heb in Duitsland gestudeerd, in de tijd van Hitler. En ik geef u mijn erewoord, dat als jij je wist te gedragen en je zei geen dingen die niet hoorden, dan deed niemand je iets…” Logisch, wat zou de Gestapo met je willen als je je gewoon met je eigen zaakjes bemoeide? Leg je toe op je studie, vader, schrijf je gedichten over bloempjes en vogeltjes, ga ’s een keer naar de kroeg, drink met mate, neem nu en dan een meisje mee naar huis… Denk je dat we daarvoor arresteren? Geen sprake van, we wensen je zelfs “veel succes ermee”! Maar hou je commentaar op het beleid van de Partij voor je, want je bent een drol met ogen, je hebt geen idee wat zich in de wereld afspeelt. Denken jullie soms dat de Securitate bestaat uit misdadigers, bruten, dat we niks anders dan meppen uitdelen? Maar vertel mij dan eens waar op de wereld er geen veiligheidsdienst is? Wat is de cia dan wel? Dat is een staat in een staat en, misschien wisten jullie het niet, maar zij hebben Kennedy vermoord… Wie heeft onze Securitate vermoord, man? Misschien in de jaren vijftig, twee-drie bandieten in de bergen. Maar verder zou ik het niet weten. De Roemeense Securitate, dat jullie het ook weten, is van het volk en uit het volk. En dus moet-ie alles weten wat er gebeurt ten behoeve van het volk. Maak je maar geen zorgen, want we brengen geen microfoons aan om te horen hoe jullie je vrouw in de slaapkamer een beurt geven. En we geven geen handen met geld uit aan het netwerk van informanten om ons “Roodkapje” en “De geit met de drie geitjes” te vertellen. Wij weten wie de vijanden van het volk zijn, die lui die hun oren laten hangen naar vader Calciu en Monica Lovinescu, van die snuiters die, net als jullie, de straat opgaan om lulkoek te brullen. Tja, wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten…
Denk je dat ik oppak als je een mop vertelt met ome Nicu? Ik laat je lekker lopen, vadertje, want ik heb wel wat anders aan mijn hoofd. Maar ik kom naar je toe en zeg: kijk, ik heb hier deze opname. Wat heb je liever: dat ik je met de flikkers in de bak gooi, zodat die je roosje kunnen platwalsen, of je schrijft een paar rapporten over wat er bij jou op je werk zoal besproken wordt, onder een schuilnaam, zodat zelfs de duivel nooit te horen krijgt wat je geflikt hebt? Dit is de manier waarop wij nu werken, we hebben zo onze methodes. En het is me nog nooit gebeurd dat iemand de voorkeur gaf aan de flikkers, zelfs niet degenen die we oppakten omdat ze zogenaamd homo waren. Onder ons gezegd en gezwegen, ik zou ze allemaal vergassen, smerige bruinwerkers, de schande van het Roemeense volk! De wet is te schappelijk met hen wanneer ze maar een paar jaar achter de tralies belanden… Ha-ha-ha, nu we het daar toch over hebben, dat doet me denken aan een mop… en verdomme nog aan toe als die mop niet precies op jullie van toepassing is, alsof hij voor jullie is gemaakt. Een heel leger zaadcellen spuit uit een lul en trekt vrolijk en dapper op door een lange, donkere tunnel. Ze willen niets liever dan zo diep mogelijk doordringen in de kut van dat meisje, dan kunnen ze daar doen wat ze doen moeten. Net als ieder leger hebben ze een verkenner vooruitgestuurd om te zien hoe en wat. Na een tijdje keert de verkenner terug en roept: “Broeders, wij zijn verloren! We zitten in de stront!” Ha-ha, zo is het ook met die revolutie van jullie. De dingen gaan niet altijd zo als je denkt…’
De vleugels op zijn rug, als geschilderd door Fran Angelico, zagen er vodderig uit, als de vloerkleedjes van vroeger in Floreasca of als een stel smerige dweilen. De securist had zich niet meer vertoond, verdwenen in wie weet wat voor slangenhol, en de drie jongens, onder het bloed, werden gewoon op straat gezet, zonder een woord, en hun werd de weg voor de deur van de gevangenis gewezen, die over de verblindende, besneeuwde vlakte kronkelde. Mircea’s geest, die in Bardo verkeert verwart het gepolariseerde licht van de zonsopkomst, gewelfd als in een kristallen bol, met de helderheid en het tumult van het gigantische plein vóór het Centraal Comité, waar een miljoen mensen niet alleen het ovalen met straatklinkers geplaveide oppervlak hadden gevuld, maar, zo leek het wel, ook de heldere en bevroren lucht van de ochtend, waarin een vage geur van koolmonoxide ons eraan herinnert dat we in Boekarest zijn. Van de hemel die zich reusachtig welft over het plein, stevig steunend op de boekwinkel Kretzulescu, op het tot een kunstmuseum omgetoverde Koninklijk Paleis, op de Universiteitsbibliotheek en op het vreselijke, geheimzinnige gebouw van het Centraal Comité, was nog maar weinig te zien als gevolg van alle handen met de in het overwinningsteken gespreide vingers, van alle vlaggen met het uitgeknipte staatswapen, van alle schutskoepels van pacifistische tanks, volgepakt met uitgelaten lieden. De megafoons van de pantserwagen gromden iets onverstaanbaars, dat echter heel overtuigend klonk, en de Revolutie bleef eindelijk staan, pal naast het Centraal Comité, en legde haar borsten, waarvan de tepels uit het borduursel van haar blouse staken, op het balkon van de Patria-bioscoop. Het arme meisje bibberde van de kou, ze had haar schouders met haar handen vastgepakt en wreef over haar armen, terwijl het pygmeevolkje rondom haar in de siersparren in de nabijheid was geklommen, in de neonpalen en op iedere wat hogere stoeprand, om er getuige van te zijn, om de kleinkinderen iets te vertellen te hebben in de ver in de toekomst gelegen, vreedzame winteravonden in het rijk van de vrijheid, wanneer het met Roemenië goed zou zijn en alle Roemenen in welstand zouden leven…
Meegevoerd door de stroom was Mircea ook voor het presidentiële balkon beland, waarvandaan een dag eerder het seniele oudje, met zijn astrakanmuts diep over zijn wenkbrauwen getrokken en met Leana naast hem, de menigte een salarisverhoging van vijftig lei had toegezegd en met de doffe oogopslag van een boer op leeftijd wachtte op de gebruikelijke toejuichingen. Van de plaats waar hij zich bevond kon Mircea de zoom van de Roemeense Revolutie vastpakken en, in de opwelling van een angstig kind, greep hij in zijn vuist het ruwe textiel, geborduurd met katoenen kruisjes, van haar rok vast. De voet van de reuzenvrouw stak in een kokette boerensandaal van fijn leer, en toen de wind plotseling de zoom van de rok deed opwaaien, konden de omstanders duidelijk de zwarte netkousen zien en de geplooide kousenband, rood als een vuurtong, die de dij van de fiere Roemeense omgordde, zodat een unanieme erectie zich verspreidde over dat plein, dat zo uitgestrekt was, dat de kromming ervan te zien was, gevormd op de kromming van de aarde. Wie van de hitsige bruidsjonkers zou de koningin van het bal uitkiezen? Met welke Russen en Turken zou ze de acaná dansen, in een orgie van vrijheid zoals sinds 1848 niet meer was gezien? Na de paring trekken mieren zelf hun vleugels uit en gaan over tot meer prozaïsche bezigheden. Zou het nu ook zo gaan? Het is alsof we het niet kunnen geloven, want de arbeiders van de industriegebieden verkeren nog in een roes van geluk en liefde, maken nog het hoorntjesgebaar met miljoenen pezige handen, die het gewend zijn om zware werktuigen te hanteren, met buizen en bakens in de vaderlandse fabrieken. Iedereen hoopt te worden uitverkoren, iedereen heeft een maarschalksstaf in zijn broek, stijf geworden door de glorieuze dag waarop de bruilof met de Geschiedenis wordt gevierd. En de Revolutie, rinkelend met de gouden munten aan haar ketting, komt hen tegemoet en onderwerpt zich aan de wil van het volk: ze werp een oog op de menigte en begint plotseling haar vrijers uit te kiezen met een glimlachende zelfverzekerdheid, alsof ze hen al een eeuwigheid kent. Ze buigt zich lichtjes over de wriemelende massa, steekt haar hand uit en pakt bevallig, tussen twee met ringen beladen vingers, een demonstrant, ze houdt hem vast ten hoogte van haar gezicht, geeft hem een koket kusje op zijn kruin en zet hem voorzichtig neer op het balkon. Eenmaal uit haar greep bevrijd brengt die snuiter zijn kleding op orde, met rode koontjes van opwinding, en neemt vervolgens een verantwoordelijke en strenge houding aan terwijl hij zijn blikken laat glijden over de mensenzee aan zijn voeten. Hij voelt dat hij nu het hoofd kan bieden aan de Revolutie, aan de situatie, aan het moment waarop we, tegenover Europa, blijk moeten geven van tact… Het reusachtige boerinnetje buigt zich weer over de meute (Mircea voelt een ogenblik hoe het pikzwarte haar zijn wangen striemt zoals in zijn kinderjaren, toen hij in Tântava op de bok van de wagen zat en de staarten van de paarden soms zijn gezicht raakten), de mensen kijken weer tussen haar tieten, een dukaat ter grootte van een vrachtwagenwiel slaat weer eens iemand knock-out, maar de gedreven Roemeense voert standvastig haar missie uit: ze tilt nog een revolutionair op het balkon, dan nog een en nog een, totdat uiteindelijk zo’n dertig mensen in zwarte overjassen de volledige formatie vormen. Rien ne va plus. De vrouw trekt zich bescheiden terug in een hoek en luistert, samen met de eindeloze volksoploop, naar de toespraken van de uitverkorenen. We trekken ons ook terug, discreet, uit het besneeuwde cubiculum waarin het mysterie van het huwelijk wordt gevierd, niet zo kosmisch als de bruiloft van de Moldavische herder uit vroeger tijden, maar ongetwijfeld onder een even gunstig gesternte voor de lotsbestemming van het volk. We hebben nog de gelegenheid een witte helikopter met het presidentiële logo te zien opstijgen van het dak van het Centraal Comité, die een reusachtige banner met zich meevoert waarop in gestileerde letters, zogenaamde ‘Roemeense letters’ zoals op het etiket van ‘Twee blauwe ogen’: wacht maar wij komen elkaar nog wel eens tegen… staat geschreven. De Revolutie steekt haar hand ernaar uit, probeert hem als een vlieg in haar vuist te vangen, maar het witte, mollige toestel glipt tussen haar vingers door en verwijdert zich, over de honderden blinde muren, puntdaken en verroeste koepels, ontbladerde haagbeuken, bouwvallige stadions, vervallen industriegebieden, besneeuwde stukken vlakte en bos, in de richting van de verlaten en onafgemaakte muur in een provinciale kazerne waar, met geweer aan de voet, het vuurpeloton reeds staat te wachten.
 
 

Related articles
Orbitor /verblindend (Humanitas, 2007)

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Vasile Ernu
Translated by: Monika Oslaj

Oda sovjetskom toaletu

Oda sovjetskom toaletu Posvećeno Iliji Kabakovu Za sovjetskog građanina ne postoji ništa intimnije od toaleta (Dopustite mi sa velikim poštovanjem koje imam prema ovom mjestu i ovoj ...

Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx