Pupa Russa, Ludus et jocus

Gheorghe Crăciun | September 01, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

Pupa Russa, Ludus et jocus
Nu is [Leontina] in de studiezaal en zoals ze daar zit met haar hoofd in haar handen, voelt ze het ritmische kloppen van haar gesloten ogen tot in haar handwortels. Soms, wanneer je hoofdpijn hebt en over straat loopt, voel je iedere voetstap als het bonken van je bloed dat pijn doet aan je ogen. De staat waarin ze gisteren verkeerde toen ze terugkwam van Matilda, versmelt in de diffuse herinnering aan andere lichamen en namen, waar ze in de klas dagelijks mee te maken heeft. Sarina, met haar dikke ronde lippen, aangezet met paarsige lipstick, met haar reusachtige bril met zwart montuur van waarachter ze je doorboort met beschaafde, misprijzende blikken, als een non die gespecialiseerd is in de interpretatie van patristische teksten. Sarina Kromberger met haar zware rode handen, die voortdurend, alsof ze iets kwijt is, aan de kralen van een rozenkrans wriemelt. Of Nini, een mafkees met een huppelend loopje die voor de kinderen op de kleuterschool gedichten schrijft over konijntjes en dassen, de Bovary-achtige en domme Nini Clonţea, met haar dunne bloedeloze mond en haar rappe muizenoogjes. Manon en Lala, het eeuwige koppel waar iedereen over struikelt, waar iedereen over roddelt. Manon met haar silhouet als een bommenwerper, die je angst aanjaagt met het gewicht van een stel indrukwekkende tieten, waar tijdens de pauzes in de hoeken alle jongens van de klas in knijpen, Manon Jigărea, de dochter van de baas van de groentewinkel, met haar welwillende stem als van een tweeslachtige kruidenierster. Terwijl Lala Voinescu een klein, spichtig meisje is, dat voortdurend ten prooi is aan een mannelijkheidsextase, met haar uitpuilende konijnenogen en gelige vroegtijdig oud geworden tanden. Met Lala heeft ze onlangs ruzie gehad. Van Manon walgt ze. Nini is infantiel. Sarina bezorgt haar complexen omdat ze zo volwassen is. Matilda hangt het prinsesje uit, praat met afschuw over de gymnastieklessen en het basketbalveld, aanstellerig, pervers kreng dat ze is. Ze is vast geen maagd meer, dat heeft alleen zij in de gaten. En die heilige boontjes om haar heen, met hun vettige vrouwenteint, hoeveel van haar klasgenotes die nu in de studiezaal zitten te dommelen, zijn eigenlijk nog maagd? Leontina heeft een boek opengeslagen. Het is het leerboek Frans en op de bladzijde waar ze naar kijkt staat een woonkamer afgebeeld. C’est le salon. Elle est la fille. Les parents ne sont pas à la maison. Elle rêve.Ze is nog slaapdronken van haar middagdutje. Haar hoofd weegt zwaar terwijl zij haar ogen over de regels laat glijden en de voorwerpen ontdekt. Het raam, de deur, het aquarium, de piano, de bloempotten. Een tamelijk goed gelukte zwartwittekening. Je hebt moed gevat, je probeert te ontsnappen. Je bent midden in de tekening gedoken. C’est la fin de l’hiver. Je bent verkouden en zit thuis. Pas d’ecole. Toute seule. Een van water doordrenkt soort vilt – la tête. Je hebt een verstopte neus, je niest, je ogen zien de dingen om je heen waterig. Grauw licht, la lumière, la fenêtre, gewoon de grijze lucht. Eigenlijk ben je net wakker. À la maison. La fillette dans sa chambre. Haar droom was op een stomme manier geëindigd, ze droeg een veel te sterk gesteven witte jas, ze had een wit monddoekje voor en liep, alsof ze een dokter was, ontelbare kinderlijkjes langs om ze een te betasten, zoals ze daar uitgestrekt lagen op een zo lange tafel dat je het einde ervan niet kon zien. In haar vingertopjes voelde ze nog steeds de zachtheid en fijnheid van de huid van die lichamen, de roze, warme, anonieme gladheid en rondheid ervan. De rest was ze vergeten. En de lucht van fenol, van kalmerende middelen zo bitter als abrikozenpitten en van met gestold bloed doordrongen watten, een vreemde geur die zonder reden in haar hersenen was achtergebleven.
Le lit, le tapis et la jambe, het been gestrekt naar voren in een onwillekeurige beweging als een ballerina en plotseling, alsof in deze apatische staat haar hersenen een bruusk, onbewust bevel hadden gekregen, trok ze de pijp van haar pyjamabroek naar boven. Een rozige, bijna volmaakt gepolijste knie, die haar handpalm met een soort verwonderde nostalgie in zijn warmte omvat. C’est pas le livre, c’est la realité, la morosité, le spleen et la nostalgie, la fadeur de la solitude. Bah! Je bent teruggedoken in het kleffe licht van de studiezaal en je bent verder gevlogen met zware, verveelde vleugels als een gedegenereerde albatros in het zinken licht van het slaapvertrek. Precies hetzelfde gebeurde gisteren ook. Die toestand van hunkering en verlangen. Vloeibaar geworden hersenen, in de steek gelaten geest. C’était hier matin, vervolgt de film, losse beelden. Met een pijnlijk soort liefde, afgemat door spijt, passief. Nooit eerder is die knie – vertelt haar een stem die nauwelijks hoorbaar is in het binnenste van haar hersenen van geplet harig laken – zozeer van haar geweest, zo ontvankelijk voor het medelijden van haar vingers met hun ronde, roze nagels. En de blik die omlaagglijdt en in een soort dronkenmansextase de langgerekte welving van haar kuit ontdekt, de broze schoonheid van de enkelbeenderen, de voetzool met de matte reliëfs, van was, de stugge elasticiteit van de bundel pezen die over de witte brug van vlees ligt. Het gevoel dat ze op het punt staat in tranen uit te barsten. Ze huilt in haar geest zoals die gisteren was, bij het begin van de dag, in die paar tellen nadat de meisjes naar het waslokaal waren gegaan. De crisis die voorafging aan het bezoek aan Matilda. Ze kneep haar ogen nog stijver dicht en liet het Franse boek voor zich op tafel definitief voor wat het was, en daar, in de ruimte achter haar gesloten ogen, in de herinnering aan de vorige ochtend, boog ze zich voorover, haar ellebogen stevig op haar dijen geplant boven de knieën en haar klamme handpalmen tegen haar ogen gedrukt. Vingertoppen verwikkeld in het hoofdhaar. Gisteren verdrong vandaag, haar vingers van gisteren herleefden in haar vingers van nu.
Opnieuw vervaagt de studiezaal. Een duik in dezelfde leegte. Ze breekt met haar scherp getekende, ranke puberlijf door de bladzijden van het leerboek Frans heen. Ze ziet, ze denkt, ze tast, ze wacht, ze waardeert, ze maakt een diagnose. Tegen haar verwachting in had ze geen koorts. In haar handpalmen voelen haar gesloten ogen achter de oogleden als kleine eitjes aan, kloppend, van een formaat dat plotseling geslonken lijkt, en haar nagels die bij de haarwortels – in de stompzinnigheid van die staat van overgave – naar kleine flintertjes roos zoeken. De meisjes die elkaar verdringen in het waslokaal, met de tandenborstel in de hand, het ijskoude water en alle vrouwelijke geurtjes ter wereld. Ze was vies, ze moest het verduren nog een dag vies te blijven, want ze kon niet douchen doordat er nog steeds geen warm water was. Als ze ook het avondmaal eenmaal achter de rug had, kon ze vanonder Emilia’s bed de grote pan van geëmailleerd ijzer opduikelen die ze met water kon vullen en op de rechaud in de strijkkamer kon zetten, zodat ze tenminste haar haar kon wassen in de teil die Hanelore in haar kast verborgen hield en die ze vast wel aan haar wilde uitlenen, ze had geen reden om haar dat ze te weigeren – echter die gedachten alleen al vermoeiden haar, ze hield niet van lapmiddelen, een dergelijke gedeeltelijke hygiëne bezorgde haar een nog scherper gevoel van smerigheid, en daarna jeukte haar huid ondraalijk van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.
Dit werd gevolgd door een herhaling van de dag van gisteren, Matilda’s villa, een indrukwekkend bouwwerk, met muren van riviersteen en rood-wit geschilderd hout, van veraf zichtbaar op de heuvel aan de rand van de stad. De ochtend liep ten einde en zij liep over uitgesleten stenen treden naar boven tussen de bosjes wilde liguster en kamperfoelie, haar gezicht gehuld in de frisse koelte van de lentedag, bedwelmd door de geur van de bloeiende pruimelaars en kersenbomen. De wind wierp haar af en toe verdorde, dunne, vochtige, nutteloze bloemblaadjes in het gezicht, die aan de randen vergeeld waren als sigarettenvloeitjes. Of het was niet de wind maar slechts een luchtstroom die in beweging werd gebracht door korte onregelmatige vlagen, stuiptrekkend en krachteloos, als van het uitkloppen van kleden. Ze droeg een crèmekleurige regenjas met uitlopende mouwen, maar ze had nog geen afstand gedaan van haar laarzen en haar dikke wollen trui deed haar zweten. Toen ze boven aankwam, was ze drijfnat. Ze legde haar vinger op de bel, ze bevond zich op een klein bordes, een koude luchtstroom, de geur van bos en rottend hout, grijs licht, hondengeblaf, tortelduiven, schaduwen van dennenbomen met zwarte takken. Ze werd niet opengedaan door Matilda, maar door het dienstmeisje. Deze ging haar voor door een enorme hal, met witte wanden en hoogpolige kleden, blauw als inkt. Toen Matilda’s lichaam, de kamerjas, haar borsten warm na de douche, dommelend in het halfduister van de jaspanden, de huivering van lesbische geilheid die zich van haar meester maakte zoals angst zich van je meester maakt als je plotseling oog in oog staat met een wild dier.
 
Kom, laten we het dan nu hebben over de Sovjettank, kinderen, die jullie gisteren op straat hebben gezien, bij het defilé. Daar waar jullie van onder de indruk, of niet soms? Maar bang waren jullie niet... Daar was ook geen reden voor! Want de Sovjettank is een machine die vrede brengt. De volkeren van de wereld houden van vrede. Zo is het...! Kom, laten we dat op het bord schrijven. Wie schrijft er, Costel? Goed zo, Costel! Maar weten jullie wel wat vrede is, kinderen? Het Roemeense volk is een vredelievend volk, het is een braaf volk dat niet van oorlog houdt. Ook onze grote vriend, het Sovjetvolk, houdt niet van oorlog. Want wat is oorlog, kinderen? Oorlog is wanneer je geen huis meer hebt en je niets meer te eten hebt en onschuldige mensen sterven en de lucht vol is met bommen en je ook de zon niet meer ziet. Noteer het volgende in jullie schriften: Wij haten oorlog! Wij willen vrede! Dat is ook jullie huiswerk voor volgende keer. Schrijf deze zinnen honderd keer in het net. En kijk, als we nu het boek openslaan, wat zien wij dan hier? Wij zien een witte duif. En wat heeft de duif in zijn snavel? Wie kan het mij vertellen? Tăvică...? – De duif heeft een stokje in zijn snavel! – Nou ja, een stokje...! Je moet aan iets mooiers denken. Misschien weet Sanda het, want die heeft haar vinger opgestoken. – De duif heeft een strootje in zijn snavel. – Dat is toch geen strootje? Zien jullie dan niet dat het iets groter is, en met bladeren... Wat denk jij, Tina? – Ik denk dat die vogel een tak in zijn mond heeft... – Een tak, zeker. Maar wij weten dat die vogel een duif is, de duif van de vrede, en vogels hebben geen mond, ze hebben een snavel. Je hebt het goed geraden, het is een olijftak, het symbool van de vrede. Ons volk houdt van dit symbool van de vrede. De Sovjettank is ook een symbool van de vrede, dat moeten jullie niet vergeten! Toen in 1944 de oorlog was afgelopen en het bevrijdingsleger van de Sovjets onze steden binnentrok, hebben kinderen witte duiven laten opstijgen. En die vlogen de blauwe hemel tegemoet. De kinderen keken naar de blauwe hemel en waren blij. De Sovjettanks trokken in nette rijen voorbij, de Sovjetsoldaten zongen met hun voorhoofd hoog geheven. In die tijd waren jullie nog niet eens geboren, maar jullie ouders kunnen het zich nog herinneren. Ze stonden aan de rand van de weg met vlaggetjes en bloemen in de handen. Ze waren vrij! De mannen hadden tranen in de ogen, de vrouwen hadden tranen in de ogen. De mensen ontvingen de Sovjetsoldaten met bloemen, ze huilden van vreugde en vlogen elkaar in de armen, en de Sovjettanks reden verder en zijn ook het laatste stukje grond van ons land gaan bevrijden. Wij leven nu in een vrij land. Als jullie ietsje ouder zijn, dan zullen jullie pioniers worden. De pioniers zijn de trots van het land. En de Sovjet-Unie is onze grote vriend uit het oosten. Het licht komt uit het oosten, kinderen, zoals onze grote verteller Mihai Sadoveanu heeft gezegd. Vergeet dat niet! Ons volk zal eeuwig verbroederd zijn / Met het Sovjetvolk dat ons heeft bevrijd... Ons volk is trots. Ons volk is een vreedzaam volk. Wij hebben nooit veroveringsoorlogen gevoerd. Onze Dacische voorouders hebben moedig strijd geleverd met de Romeinse veroveraars. Mircea de Oude heeft gevochten met de Turken. Net als Ştefan de Grote en Vlad de Spietser en anderen. Wij hebben ons land verdedigd ten koste van grote offers. Wij zijn een hardwerkend volk dat van rust houdt. Jullie kennen toch ook wel andere verzen uit het volkslied van de Republiek: Wij bouwen nieuwe fabrieken, vergroten de opbrengst van het land / In vrede willen wij leven met ieder volk, deze belofte doen wij gestand... En nu wil ik dat jullie netjes in de rij gaan staan en ordelijk naar buiten lopen om te gaan spelen. Niet stoeien, niet schreeuwen, geen lelijke woorden gebruiken! Niet rennen op de gangen! Jullie kunnen beter allemaal even voor de muurkrant blijven staan om daarnaar te kijken. Voor de volgende keer moeten jullie het volkslied van de Republiek uit het hoofd leren. In welk land leven wij, kinderen? In de Volksrepubliek Roemenië. Daar moeten jullie trots op zijn!
 
[...]
 
De voorkamer van haar grootouders (die zij zich zo goed herinnerde uit haar kinderjaren), nu het exclusieve domein van in het zwart geklede oudjes die op fluistertoon zaten te kletsen op stoelen die bij de buren bijeengeraapt waren, ontving haar met een discrete geur, een veel te discrete geur (en die geur kwam op haar over als een persoonlijk ongenoegen) van verrotting. Bedrukkend was niet de vale kleur van de bloemen die niemand in dagen water had gegeven en waarvan de koppen al aan het rotten waren, in hun groenige slijmerige water. Het was ook niet de geur van de grijze strengen vlas die te roten waren gelegd in het meertje bij de molen, die walgelijke geur uit haar jeugd die haar geest in verband bleef brengen, telkens als ze eraan teruggedacht, met haar angst voor bloedzuigers, en het was ook niet de stank van de dode kat die een of andere hufterige buurman in een hoek van de tuin had gesmeten en die zij tot haar afschuw had ontdekt toen ze over het gestreepte kadaver was gestruikeld op een dag dat ze komkommers voor de sla uit de moestuin was gaan halen. Het was de weeë geur van een mensenlichaam in ontbinding, een geur die juist door zijn gebrek aan consistentie onwerkelijk en dreigend was.
Ze legde de witte blokken, als gestolde melk, naast de wangen van haar opa, sloeg haastig een kruis en stak de kaars aan, die ze vervolgens in de houder zette aan het hoofdeinde van de doodskist, met zijn talloze openingen, besmeurd met smerige, ondoorzichtige vegen. Op een tafeltje naast de houder zag ze een geëmailleerde pan met maïskorrels waarin andere gele kaarsen stonden te branden. Er waren best veel mensen gekomen. Nu volgden de moeilijkste momenten, enkele minuten van bezinning oog in oog met het roerloze lichaam in de doodskist, tijdens welke iedereen, inbegrepen haar moeder, die overmand door verdriet in een stoel hing, haar scherp in de gaten zou houden.
Ze hoefde echter geen toneelstukje op te voeren. Ze had het warm gekregen, bedaard biggelden de tranen over haar wangen, zonder dat zij wist waarom. Het hoofd van de dode in zijn kist, dat leek te zijn gewikkeld in een vettige film, had wel iets weg van een kunstmatig voorwerp. Zij bekeek zijn halfkale schedel, geel als geslepen steen, met het pluizige haar aan de slapen, met de dunne, grijze snor, luchtig als een stofwolk – een onhandig onder de neusgaten geplakt rekwisiet dat overduidelijke van een slechte smaak getuigde. De gesloten oogleden, zonder wimpers en dooraderd met groenige haarvaten als het velletje van een ei zonder schil, glansden mat alsof ze ook met was waren bestrekken. Ook zijn iets geopende mond, de rimpelneus die scherp omlaagliep naar de bovenlip, de kin die pal onder de onderlip begon, zo dun als een streep.
Zij kon niet langer naar hem kijken, en zuchten durfde ze ook niet. Ze moest sterk zijn, haar hoofd zo ver mogelijk laten hangen totdat ze het gevoel kreeg dat er een onbestemd gewicht op haar rugwervels drukte. Ze wiste voortdurend haar wangen af en uit haar groene ogen schoten vanonder haar geloken oogleden korte, vochtige bliksemschichten. De gespannen stilte in het vertrek deed haar rillen van onmacht.
Daarna liep ze het erf op, tussen de muren van de twee rijen huizen, in de duizeligmakende zon van het middaguur. Onder een venster dat aan de buitenkant was afgedekt met een stuk zwart doek stak in de grond de knokige tak van een appelboom met groene en onvolgroeide vruchten, waarin twee vrouwen krakelingen, broodjes, aardewerken bekers en in zakdoeken geknoopte munten aan het ophangen waren. Precies in het midden van het erf, niet ver van de toegang tot de schuur, stond op een geïmproviseerde kookplaat van bakstenen een enorme pan met soep te pruttelen. Een mannenstem riep: ‘Nou, dan ga ik nu de priester halen!’
In de schaduw van de pruimenbomen naast de schutting van de moestuin stond een stel lange grenen tafels op elkaar gestapeld met ernaast even lange banken. Ze waren uitgeladen uit de kar die net door de poort wegreed. De man die geroepen had hield in zijn hand een zweep met een rood kwastje. Hij was kaal en de gladde huid van zijn schedel glansde in de zon. Ze keek hem na en toen ontdekte ze het gele houten kruis dat tegen de muur stond naast de trap die naar de kamer leidde waar de doodskist van grootvader stond. Het was haar net zo kil te moede als op het moment dat ze door de poort het erf op was gestapt. Het erf kwam op haar over als een vreemde plaats. Ze had het gevoel dat ze een scène uit een film aan het bekijken was, dat zij een onzichtbare toeschouwster was geworden die onbelemmerd door het beeld kon lopen.
Ze liep door het beeld. De pan op de kookplaat van bakstenen werd bewaakt door een dikke vrouw die een bloemetjesschort had aangetrokken over haar zwarte rok heen. Op haar hoofd droeg ze een verschoten hoofddoek die eerder grauw was dan zwart en die haar hele voorhoofd bedekte. Haar gezicht zo bleek als meel, haar bloedeloze lippen, haar diepliggende ogen. Ze kende haar niet. Ze zag hoe ze voortdurend haar bezwete wangen afveegde en hoe ze met de pollepel in de pan op het vuur roerde.
Toen schoot er door de duur van de schuur een kind naar buiten in een korte broek met bretels. Hij had een dikke blonde haardos en rende achter een bruin hondje met een klitterige vacht aan. Het dier rende huppelend, bleef staan, blafte, sprong met zijn snuit tegen de borst van de jongen en zette het opnieuw op een rennen. ‘Ionică, joh, ik heb nog tegen je gezegd dat je hout uit de schuur moest gaan halen, laat die verdomde rot hond toch!’ riep de vrouw die naast het vuur stond. De andere twee vrouwen waren net klaar met het versieren van de appeltakken en pakten de lege manden van wilgteen op van de grond. ‘Wacht ik kom je helpen, Anetă!’ bood een van hen aan. ‘Kijk, daar is de juffrouw ook,’ zei de andere, toen ze achter haar Leontina in de gaten kreeg. ‘Als je maar weet, juffrouw, dat hij voortdurend over jou had. Hij wilde niet sterven voordat hij jou gezien had, maar ach, dat is hem niet gelukt!’ Ze verfrommelde de zakdoek in haar vuist en voelde dat de huid van haar benen geïrriteerd was door de synthetische zwarte kousen. ‘Ik vind het ook jammer, God hebbe zijn ziel...’ mompelde ze. Iedereen deed er het zwijgen toe en de ogen van het kind keken haar indringend aan. ‘Ik voelde me niet zo goed. Daarom ben ik even een luchtje gaan scheppen...’ voegde zij er nog aan toe, en ze stapte vastberaden tussen de bloemperken door in de richting van de poort naar de moestuin.
[...]
 
Ze liep langs de betonnen rand van de put waartegen een krans van sparrentakken stond met rode en witte anjers en linten van gelige zijde. Pas nu zou ze echt kunnen huilen. Ze wist dat ze gelijk had en dat alles een nepspelletje was, een soort toneel met houten marionetten. Het ergste van alles was de angst. De waardering voor de overledene... de vrees voor de geest van de dode... Een grotere angst bestond er niet! Bij dergelijke gelegenheden hebben alle mensen werktuigelijke gebaren en starre blikken, ze lopen rond met afgemeten passen en kijken naar elkaar alsof ze spoken zien. Het bloed is wegtrokken uit hun wangen en hun stem is ernstig, fluisterend, diep in hun borst gesmoord, hun woorden gaan bedolven onder een ootmoedig en plechtig soort geprevel.
‘Moge God hem genadig zijn!’ ‘Dat hij ruste in vrede!’ fluisteren de vrouwtjes met hun tandeloze monden, de oude mannen met hun stramme gewrichten, de kerels met grijze snorren en de echtgenotes in de kracht van hun leven. De dode moet deze wereld in alle kalmte verlaten, zonder spijt, zonder schulden, zonder verlangens, zonder hoop, berustend, onthecht van alles en iedereen, rein als een pasgeboren kind. En zonder het leven van hen die achter zijn gebleven nog te verstoren... Zonder enige reden kneep ze nog steeds met haar vuist in de vochtige zakdoek. Ze stapte al door het vette gras van het weiland, hoorde het tjilpen van de krekels, het gonzen van de vliegjes, het luide zoemen van de hommels en af en toe het krassen van een raaf die ze dadelijk daarna zag zitten in de top van een pruimenboom, op een dorre tak.
Ze liep verder over het pad, klom over de overstap naar de moestuin, ging zitten op een afgeknotte boomstam die was aangevoerd van de voet van de heuvel onder het bos. Vóór zich had ze nu de daken van de twee rijen huizen, af en toe zag ze een paard-en-wagen over de hoofdstraat voorbijkomen. Het was een mooie dag en de mensen waren op pad om te gaan hooien. Achter haar hoorde ze het ruisen van de oude meidoornstruiken waarvan de vruchten nog groen waren. Ze omhulden haar met hun paarse, bittere schaduw en zoals ze daar zat, haar benen vooruit en haar hoofd teruggetrokken tussen haar schouders, uitgeput van de omhelzingen van de nacht en volkomen weerloos, begon Leontina weg te dommelen. De geluiden om haar heen verdrongen de geluiden in haar geest en uiteindelijk viel zij in slaap.
Ze droomde van Tăvică,haarjeugdvriend. De jongen klauterde in een boom, zo lenig als een aap. Maar zij was ook een aap, met haar geschramde armen en haar gezicht besmeurd met bramensap. Ze rende met Tăvică door het bos, ze werden opgejaagd door de wind, en de wind had grote poten als een boze reus. Ze verborgen zich voor hem in de bomen, zo lenig als eekhoorntjes, zo handig als een marterjong die zijn klauwen in de stam van de spar sloeg en hoog in de boom tussen de naalden uit het oog verdween. Hij eerst, dan zij. Tăvică was gekleed in een ruim vallend speelpakje, waar zijn bronskleurige benen als stokjes uitstaken. Zij keek naar zijn enkels, gestaald door het rennen en springen, liet haar blik omhoogglijden langs zijn spichtige dijen, en tussen zijn benen, in de schaduw, kon zij daarboven zijn kinderpikkie ontwaren als een deerniswekkend stompje vlees. Boven, tussen de takken van de naaldboom, brulde Tăvică, om haar te plagen: Je krijgt me niet te pakken! Je krijgt me niet te pakken! Met een temerige stem zong hij daarna ritmisch:
 
Domme, domme Tina!
Stomme, stomme Tina!
Dikke, dikke Tina!
Tina krijgt me niet te pakken!
Tina kan niet bij mij!
 
En dan drukte zij zich tegen de schors van de boom, legde haar hand op een tak, zette haar voet op een andere, klauterde omhoog, haar borst schramde tegen de boomstam die vol scheuren zat, de uitgroeisels op haar borst waren heet, haar handpalmen gevoelloos. Van bovenaf keken ze samen als een stel verkenners naar alles wat zij van belan achtten. Zij zagen tussen de dennenbomen aan de zoom van het bos de zwarte tong van de rivier en de eerste huizen van het dorp. Dat was het huis van Arnăut. En dat het huis van Briotă. Daar woont Gobjilă en naast hem Miclăuş. En daarnaast Bobinca en naast hem Răcaru. Dan kwam er een moestuin zonder huis, de molen, de zaagmachine, de schuur van Trancotă, de schuur van Muşat en het stulpje van Ghinea, en de boomgaard met de fruitbomen van haar peetvader Bucerzan. Ze kregen er genoeg van om alle huizen te benoemen en zochten met hun blikken verder in de hoogte, naar de Witte Steen, een hoge rots met een kleine holte eronder, waar je kon schuilen voor de regen. Op de rots was allerlei onzin geschreven, alle kinderen wisten dat daar de grootste onzin ter wereld te lezen viel. Sommige dingen met potlood, andere met de rook van een kaars, sommige ingekerfd met een mes, andere met van school gejat krijt. Maar het liefst keken ze van bovenaf naar het vennetje dat was omringd door lisdodde, riet, dwergelzen, vlierbesstruiken en katwilgen. Ze zagen daar de kikkers die vanaf de oever in het water plonsden, de libellen met hun vleugels van blauw glas, de vogels die in de bagger pikten, af en toe een slang met een gele buik, glanzend als een gordelriem.
Nu klampte zij zich vast aan een tak en liet haar blik glijden over de rimpelingen die de bries op het wateroppervlak had gemaakt. Midden in het meertje lag languit op zijn rug haar grootvader. Hij dreef met open ogen zonder enige beweging te maken. Ze durfde haar blik niet van die plaats af te wenden, er was een pijl door haar hart gegaan, duizend pijlen doorboorden haar voetzolen. Het lichaam van haar grootvader dobberde zachtjes op het water als een rubberen pop. Toen begon hij te zinken, zijn borst, handen, kin, mond, neus verdwenen onder water, ze zag hem niet langer. En plotseling brak de waterspiegel open en schoot het hoofd van haar grootvader naar boven en deed hij zijn mond open. Ze kon niet verstaan wat hij riep, maar werd zo bang dat ze haar evenwicht verloor. Als een neergeschoten dier viel ze omlaag door de takken van de den. Haar gezicht bloedde en ze had het zo warm gekregen dat ze haar ogen opende. ‘Tante, mama zegt dat je moet komen, want de priester komt zo,’ was de haastig uitgesproken boodschap van het blonde kind dat voor haar stond en dat ze eerder op de binnenplaats achter de hond aan had zien rennen.
 
[...]
 
De kar boldert verder, krakend in al zijn geledingen, zet zich schrap tegen de helling van de heuvel, waar de paardenhoeven sporen achterlaten in de natte, klonterige aarde. De weg klimt slingerend omhoog tussen de sparren en dennen en uit de huid van de paarden stijgt stoom op die de lucht rond de kar overspoelt met een scherpere geur van warm, plantaardig zweet. De stank van de paarden blijft hangen achter hun grote schoften als glanzende klompen van vuil en zout, vindt een weg onder de duistere grot van de huif, maakt zich meester van je neusgaten, dringt door tot in je slaap en blijft daar hangen in een laatste snipper van een droom. Je hebt je ogen wijd opengesperd, je bent ontwaakt en bent overeind gekomen in bed. De roerloze rug van opa Tase, zijn puntige herdersmuts, zijn hals, die langzaam meebeweegt met het bonken van de weg, in de ene hand houdt hij de teugels, in de andere de zweep. Het zweet dat opwelt uit hun fluwelen huid loopt tappelings over hun ribbenkast naar de glanzende buiken, zo ruw en warm als de geur van de broeiend gras. ‘Hu, Cezar, verdomde knol! Hu, Murgu, kom op, ellendeling!’ En opa Tase’s dunne zweep met het rode kwastje flitst door de lucht, ranselt Murgu’s buik, raakt verstrikt in Cezars borstelige staart en met nog meer hoop trekken de paarden aan de stugge riemen van het tuig.
De vrachtwagen die van de heuvel afkomt, ratelt als een tractor en sleept een dikke stinkende, zwarte rookpluim achter zich aan. De berglucht is troebel water, kil en dik blauw water, zwaar als olie, als gelatine, als het sap van de fijngestampte vruchten in het vat in de kelder en in dat smerige, duistere sap, dat wacht op de eerste stralen van de zon, verspreidt zich de geur van ijzer. De vrachtwagen ruikt naar ijzer en dieselolie, naar versteend stof en zaagmeel van grenenhout. ‘Wat doe je, idioot? Blijf aan de rechterkant!’ brult de chauffeur terwijl hij zijn hoofd uit het raampje steekt, en de wagen passeert jullie, verdwijnt achter de bocht in de weg, opa Tase brabbelt iets, mompelt een verwensing tussen zijn opeengeklemde tanden door en laat de zweep venijnig beurtelings neerkomen op de ruggen van de paarden. Hij is opgestaan, schudt aan de leidsels. ‘Huuu, rotbeesten, de wolven mogen jullie opvreten!’ De punt van de zweep is nu een vliegend hert een wesp een mug een adder met een scherpe tong en de paarden schieten naar voren, ze spannen de spieren op hun brede borst, splijten de lucht, verdrinken in de schuimende geuren van het bos.
De weg loopt omhoog en de wielen van de kar malen het zand, de stenen van de weg, de overweldigende plantengroei van die plek, de klamme lucht. Je zweeft huiverend door deze onbekende lucht, ten prooi aan een staat van rust die je nooit eerder hebt gekend. Opa zit voor je, op de bok, met zijn broek van harige fries en zijn trui van rossige wol, met zijn mantel om zijn schouders en zijn muts op zijn hoofd. Jij zit achter hem, onder de rieten huif die is opgelapt met stukken teerpapier, gewikkeld in dekens, bedolven onder een massa hooi, gehuld in de damp van de slaap waaruit je je maar net hebt ontworsteld. Je hebt je ogen geopend en opa’s hoofddeksel van schapenwol gezien, de puntmuts, de zweep die door de lucht vliegt als een nerveuze libelle. Je had het koud en je bent nog verder weggedoken in je slaaphoekje van stro en de wereld begon ijzig voor je ogen langs stromen totdat de lucht zo geel werd als een verlept bloemblaadje, zo geel als lindehoning, zo geel als de paardenbloemdooier van een ei. Toen barstte de rode zon plotseling los aan de andere kant van de heuvel en je wang smolt, glimlachend en warm, in die schittering van bloed.
 
 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Vasile Ernu
Translated by: Monika Oslaj

Oda sovjetskom toaletu

Oda sovjetskom toaletu Posvećeno Iliji Kabakovu Za sovjetskog građanina ne postoji ništa intimnije od toaleta (Dopustite mi sa velikim poštovanjem koje imam prema ovom mjestu i ovoj ...

Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx