Een olijftak

Radu Cosaşu | January 08, 2009
Translated by: Jan Willem Bos

 

Een olijftak

Tinibalda had me voorgesteld samen de Koningsrots te gaan doen, om alles en iedereen te vergeten. Ik hield van haar. Ze had erg brede heupen, maar daar trok ze zich niets van aan. Ze trok zich nergens iets van aan. Ze droeg strakke jurken die haar niet flatteerden, maar ze at jonathans waarmee het volgens haar overging... Wat er overging? Ze liet haar zinnen in de lucht hangen. Ik was dol op haar minachting voor zinnen. Zij geloofde in mijn talent. Als ik naar details viste, verschafte ze mij die en vertelde me dat ik niet zou doodgaan. Van een beetje honger gaat niemand dood. Haar vader was in de gevangenis in hongerstaking gegaan, zo rond ’38. Wat hij soms doodgegaan? Hij was niet doodgegaan. Hij had zijn pensioen gehaald – na vijftien jaar in de vakbeweging te hebben gewerkt, van ’45 tot ’60. Tinibalda was dol op hem, maar ze had hem nooit aan me voorgesteld. ‘Dat zou je moreel aantasten!’ ‘Een oud-strijder voor de goede zaak kan je toch alleen maar goed doen?’ ‘Hij niet, neem dat maar van mij aan... Het is veel beter op de Koningsrots.’ Ik had zelfs geen geld voor een kaartje tot aan de rand van Boekarest. Tinibalda verzekerde me dat geld het minste van alle problemen was in Roemenië. We lachten en ze duwde me de bioscoop in.

Ik heb altijd mazzel gehad met meisjes die filmgek waren. Mijn cinematografische leerschool heeft gelijke tred gehouden met mijn leerschool der liefde. Die zou ik nooit van elkaar kunnen loskoppelen. Ze stonden in dialectisch verband met elkaar. Na de Ballade van Siberië en De Cubaanse kozakken at Tinibalda neorealisme met boter en suiker. In de bioscoop at ze fruit. Ze deed me voortdurend denken aan mijn Franse bijleslerares die – afhankelijk van het seizoen –  kersen, gekookte maïs of gedroogde pruimen meenam naar de les. Ik kon me niet concentreren door haar vegetarische gekauw. Ze smakte. Tinibalda kauwde heel discreet en voorzichtig, in het halfdonker. Ze was niet storend. Ik kan zeggen dat ze het fruit herkauwde. Ze had een voorliefde voor de slonzigheid en de pathetiek van de Italianen. Ze trok zich niets aan van melodrama. ‘En wat dan nog als het me aan het huilen maakt?’ Bij Twee centen hoop kwam ze – in haar eigen woorden – als een dweil naar buiten en ze rouwde in stilte vanaf de Scalabioscoop tot aan ons huis, in Traian. Hand in hand bestegen we de diensttrap, waar geen licht was, en toen voelde ik dat haar armen natgehuild waren. Waren de tranen tot aan haar ellebogen gekomen? Ik bleef op de eerste verdieping staan, drukte haar tegen de keukendeur van advocaat Manolovici en kuste haar langdurig. Ze was donzig, zacht en warm. Totdat ik uit de woning hoorde: ‘Marcelică, het bad is klaar!’ En toen liepen we haastig verder naar onze verdieping.

Wat niet wil zeggen dat ze bij de Ballade van Siberië – met zijn Lisztconcert en Baikalmeer – anders wegging, vrolijker. Vergeet het maar: ook bij Pyriev had ze tranen met tuiten gehuild. ‘Laat mij maar tranen met tuiten huilen, anders vat ik niets.’ Ik liet haar, maar wat had dat ‘vat’ in haar zin te zoeken? Men zegt ‘begrijp’ of ‘snap’... ‘Waarom praat je niet natuurlijk?’ ‘Alsof ik soms weet waarom ik niet natuurlijk praat wanneer ik huil.’ Ze had gelijk. Ik gaf haar midden op straat een zoen.

Alleen hield ik niet van de bergen. Ik was liever – als we dan toch ergens heen gingen om mijn zware lot te vergeten – naar zee gegaan. Tinibalda trapte niet in mijn list. Ze had kille, korte en scherpe jaloeziebuien: ‘Ik ga niet via jouw verhalen.’ Ze wist van Diana. Ze had Graniet in manuscript gelezen – en intussen vier jonathans soldaat gemaakt – ze had er niets aan gevonden, maar ze had het niet zomaar aan de kant gegooid. ‘Ik begrijp heel goed waarom ze het niet gepubliceerd hebben,’ poneerde ze streng, terwijl ze het vruchtensap van haar borst veegde. ‘Dat is niet de reden waarom ik je het heb gegeven. Ik weet best waarom ze het niet hebben gepubliceerd. Ik schrijf niet om te publiceren.’ ‘Waarom dan wel?’ ‘Om jou aan het huilen te maken.’ ‘Maar kijk, ik heb niet gehuild. Wanneer ik zie dat je dom doet, huil ik niet. Ik zou het ook niet hebben gepubliceerd,’ herhaalde ze haar oordeel. ‘Over twee, drie jaar gaat het verschijnen,’ hield ik geërgerd staande. ‘Dan ben je niet meer met mij’ – en ze draaide zich op haar zij, met haar gezicht naar de muur. ‘Jij hebt net zulke heupen als Diana, die waren ook zo...’ ‘Dade-dade,’ gaf ze ten antwoord met haar neus in het kussen, in overeenstemming met het pact dat wij tweetjes op een zondag, op een markt, hebben gesloten, toen we room hadden gekocht van een Transsylvanische vrouw die haar buurvrouw van het belendende stalletje precies datzelfde antwoord gaf: dade-dade. Die andere had het hoogste woord, ze maakte haar voor van alles en nog wat uit omdat ze van een man hield die haar bedroeg, en in plaats van dat die Transsylvanische daarop reageerde, antwoordde ze alleen met dade-dade. ‘Wat betekent dat: dade-dade?’ had Tinibalda gevraagd, terwijl ze met haar vinger een stevige lik room nam. De Transsylvanische vond het erg geestig. ‘Dade-dade is zoals u hier toe-toe zegt.’

Ik sprak met Tinibalda af dat als er een conflict tussen ons dreigde te ontstaan, we dade-dade zouden zeggen om met die bezweringsformule het spook van de oorlog te verjagen. Voor dat antwoord heb ik uiteraard langdurig de mij aangeboden rug gekust, totdat zij zich plotseling naar mij omdraaide en tegen mij fluisterde dat als we niet naar de Koningsrots gingen...

Ik had een bloedhekel aan bergen. Ze waren te groot. Ik zag ze in de omlijsting van het raam, reusachtig, log, verstikkend. Ik kon er niet naar kijken. Ik wendde mijn hoofd ervan af, met echte, geenszins kinderachtige angst. Ze confronteerden me met de dimensie van de dood, van mijn onvermogen. Zij waren eeuwig, onbarmhartig, met hun meedogenloze vonnis: ik zal vergaan, zij zullen blijven. De eenvoud van deze confrontatie maakte dat ik in mijn eentje in mijn bed in de berghut lag te bibberen, terwijl Tinibalda de boterhammen voor bij de koffie klaarmaakte.

De koffie kikkerde me niet op; terwijl ik het tot op de bodem leegdronk – zoals Tinibalda mij had opgedragen – werd het glas, met onderin zijn zwarte koffiedik, dankzij een goocheltruc van het perspectief, precies tegen het door de zon verlichte raam geprojecteerd en daarvandaan tegen dezelfde angstaanjagende muur van de Koningsrots. ‘Kom op, luilak, te paard!’ spoorde ze me aan, terwijl ze alle gespen en riempjes van de rugzakken stevig aantrok. Ik ergerde me aan de pit waarmee ze te werk ging. Ze gaf me daar een logische verklaring voor – in een keurig afgeronde volzin – namelijk dat ze dat van Einstein had geleerd: als je ’s ochtends je sombere gedachten kwijt wilt, concentreer je dan op één ding, één enkel ding, bijvoorbeeld op het zo strak mogelijk aantrekken van je schoenveters. ‘Wat voor sombere gedachten heb je dan?’ Ze hees de last op mijn schouders, pakte zelf de kleinere rugzak en liet me niet met rust totdat de avond was gevallen en wij een hut wisten te bereiken in het overigens vreedzame en zonovergoten bergmassief. Ik begreep dat ze mij wilde redden door middel van inspanningen, door middel van zware, lange en apolitieke tochten. Op een avond wilde ze dat wij de nacht doorbrachten in een hut van de houtvesters, om vervolgens een paar dagen bomen te gaan hakken. We werden niet toegelaten. De mensen stuurden ons – met de daarmee gepaard gaande grappen en grollen – naar beneden, via een stel haarspeldbochten, waar een weg door de bergen werd geasfalteerd. Misschien was teer meer iets voor ons... ‘Kom, laten we daarheen gaan,’ zei ik, en Tinibalda ging dadelijk op pad, huppelend over de paden, zodat de potten en pannen in haar rugzak vrolijk rammelden als een parodie op de melodieën die een primitief ritueel begeleiden.

Ik denk dat ik vanaf dat moment in de stemming raakte. De nacht brachten we door naast een van de tankwagons van de asfalteerders. Het was daar warm en aangenaam, op het zwarte, verschroeide gras, dat naar peut rook. In de bergen was de zomerkoelte neergedaald – van kindsbeen ben ik dol geweest op benzine en zijn geur, op benzol voor het parket thuis. Tinibalda deed ook niet moeilijk. Waar je haar ook neerlegde om te slapen – ‘zolang ik maar met jou ben’ – was voor haar normaal en gezond, hemel wat is het toch fijn. ’s Nachts had ik daar een heel heldere droom, zonder psychoanalytische dubbele bodems: ik stond op vanonder de ketel met pek en daalde af naar het station van Sinaia, vanwaar we op weg waren gegaan naar de Koningsrots. Daar, op het station, had ik de stationschef ervan overtuigd dat hij me op een locomotief moest laten klimmen zodat ik de stoker en de machinist gezelschap kon houden tot aan Oradea. Ik wil de beste reportage van mijn leven schrijven: een nacht op de locomotief. Ik wil het vuur, de arbeid en de Roemeense spoorwegen bezingen. De man maakte geen bezwaar – hij wilde weten waarom tot aan Oradea. Omdat ik daar mijn militaire dienst had vervuld, in ’50, ik had me vrijwillig aangemeld, ik had mijn studie als extraneus kunnen voortzetten, maar ik zei tegen mezelf dat het essentieel was om in het volksleger te dienen. ’s Ochtend gaf Tinibalda me een kus op mijn voorhoofd. Vervolgens op mijn mond. De gezichten van de teerwerkers lichtten idyllisch op toen ze ons zagen, in een glimlach van witte tanden tegen een zwarte achtergrond, als in vroegere reclames voor schoenpoets. ‘Als je dat hebt gedroomd, gaan we dat doen. Naar Boekarest, kom op, vooruit, ik ga meteen met Paul praten.’ Uiteraard kende Tinibalda Paul helemaal niet, maar net als elke organisatie van het Rode Kruis of de Rode Halvemaan had ze een onbegrensd vertrouwen in het woord medemenselijk en zelfs in de mens. Begeleid door hetzelfde gerammel van potten en pannen zijn we afgedaald naar Buşteni. Ik liet haar de boekwinkel uit mijn jonge jaren zien, waar ik tijdens mijn kleinburgerlijke vakanties bij de Bokkenweide de boeken van Mircea Eliade en Camil Petrescu leende – ‘ik weet het,’ zei ze, ‘ik ken jouw duistere verleden’ – en we namen de trein bergafwaarts, naar de Hoofdstad. Ze viel in slaap op mijn schouder, geknakt als een olijftak.

            Paul had niets tegen het voorstel van een locomotiefreportage, ‘schrijf maar, ga maar, wij maken wel een reisopdracht, laat het maar zien, daarna leggen we het wel uit, boven of beneden, waar het nodig is’. Hij had mij voorgesteld een nacht op een plaatselijk boemeltje door te brengen: van Sighişoara naar Odorhei bijvoorbeeld. Tinibalda reageerde als gebeten: ‘Weer via jouw verhalen?’ Klopt. Sighişoara was Diana. De herinnering aan haar was van een onkreukbare waakzaamheid. Ze besloot aldus: we vouwen de kaart van het land open, zij sluit haar ogen en wijst een willekeurige plaats aan. Dat zal de stad van vertrek worden. ‘Ga je met me mee?’ ‘Ik zie niet in hoe...?’ ‘Wat doe je met het instituut?’ ‘Oké, ik regel voor mezelf een reisopdracht, we zijn werkzaam door het hele land.’ Ze legde de landkaart op haar bolle dijen. Ze sloot haar ogen: Timişoara. ‘Heb je iets gehad in Timişoara?’ ‘Een avontuurtje in een restauratiewagen: ik heb tien sinaasappels gepeld met een fantastische vrouw.’ ‘Sinaasappels zijn geen vruchten.’ ‘Wat zijn het dan wel?’

            In Timişoara ging ze overal met me mee – inclusief naar de Directie Roemeense Spoorwegen, waar ik een plechtige verklaring heb afgelegd dat ik op mijn eigen verantwoording zou meereizen op de locomotief van de sneltrein Timişoara-Oradea. Het hoofd van de directie keek ons verbaasd aan terwijl ik tekende, met Tinibalda over mijn schouder heen. Het was een trouwmoment, tegenover de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, dat de chef als zodanig aanvoelde, met wijd opengesperde ogen. Van een dergelijk moment was hij nooit eerder getuige geweest. ’s Avonds laat, om 11.24 uur, stapte Tinibalda in haar treinstel – ik vervolgde mijn weg, over het grind van het talud, in de richting van de locomotief. Ik bibberde neurotisch, alsof ik op de Koningsrots stond, zoals telkens wanneer ik geconfronteerd word met dat stuk steen met zijn freudiaanse woordspeling: rotrots! Ik begon, terwijl ik langs de wagons liep, kreetjes te slaken. Ik moest denken aan Kyo. Kyo – locomotief – stoomketel – Malraux – het menselijk tekort, een boek dat ik niet neer had kunnen leggen. In mijn zak staken mijn bloknoot en potlood. Ik was nog een heel eind verwijderd van zijn cyaankali, met zijn talud en al. Dat heeft me nooit aangetrokken. Zelfmoord is iets wat ik nooit heb overwogen.

            De stoker en de machinist stonden me allang broederlijk op te wachten. Een journalist bij hen in de cabine, dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Ze waren praatgraag, vrolijk, rustig, met een groot pakketje vetspek met ui dat opengevouwen op een krukje van koolstof lag. Onder het eten werden ze van onderaf belicht, uit de diepte, door het vuur van de oven. Ze boden me dadelijk aan mee te eten, zodat ik niet op een lege maag zou vertrekken. Ik nam hun aanbod aan, ik vertrok, in vervoering, eerst verzonken in een trance van zwijgzaamheid, daarna – terwijl ik hen aanstaarde met die proletkultistische hartstocht die van een zwoeger een god maakt en van een intellectueel een sterveling – verliet ik de tunnel van de idolatrie en maakte ik me deelgenoot van hun neorealisme, met hun kinderen, met hun salarissen, met hun vrouwen, met hun kuise neiging om alle drama’s te reduceren tot een eenheidsworst en het licht van hun plichtsgetrouwe leven en arbeid ontbloot te laten van enige erotische luister. Ik mocht hen wel. Het was warm, het was donker, het was rood, een lyrische bezieling doorkliefde de nacht, piepkleine stationnetjes brachten bij onze passage lilliputterige belgeluidjes voort, de vlakte zweeg – sensueel, geliefkoosd en bevrucht, fluitend, door de nachtvlucht van de hete machine. Onze broederschap had zich ontwikkeld tot loopgraafliteratuur: ik vertelde hun een van mijn weinige spoorwegavonturen, tussen Cluj en Oradea, als dienstplichtig soldaat, toen ik in de tweede klasse van de stoptrein ging zitten naast een boerin als alle andere boerinnen, die mijn moeder had kunnen zijn – maar zij leek dat niet in de gaten te hebben – en met wie ik, nadat we elkaar alleen een blik hadden toegeworpen, in innige omhelzing heb gezeten in de lange tunnel na Ciucea. En die me in Oradea niet wilde laten gaan dan nadat ik haar had beloofd haar de volgende dag thuis in Nojorid te komen opzoeken. ‘En u bent niet gegaan,’ liep de stoker, met veel gevoel voor epiek, op de clou vooruit. Nee, want ik had een nare ervaring gehad in Nojorid – toen ik op de cavalerieschool zat, heb ik daar voor het eerst in galop gereden, in de openlucht; er vloog een vliegtuig over, de paarden schrokken, we wisten niet hoe we ze moesten intomen, ze wierpen ons uit het zadel en wij moesten de hele ochtend de omgeving afstruinen om ze terug te vinden, want wij waren persoonlijk verantwoordelijk voor die beesten... Nojorid was voor mij een vervloekt oord gebleven. De twee lachten: ‘Met haar stond u ook op het punt om van uw paard te vallen,’ merkte de machinist doodgemoedereerd op, terwijl hij in de vuurgloed op zijn horloge keek. ‘Zo gaat dat in het leger’ – zei de stoker nog elliptischer. ‘Zo zijn wij mannen’ – concludeerde de machinist.

            Tinibalda wilde dat we vanaf Oradea naar Boekarest zouden vliegen. Dat maakte me boos. Wist ze soms niet dat ik een bloedhekel heb aan vliegen? Dat ik altijd bang ben het contact met de aarde te verliezen? Jawel, maar het kon haar niets schelen. Een mens moet alle snelheden proberen. Na de locomotief – het vliegtuig. Wilde ze dat ik prometheïsch geschoold werd? Ik brulde tegen haar, midden op het station, tegenover de kassa voor de kaartjes tweede klas, tussen de kippen en de reizigers: ‘Krijg de pest met dat vliegtuig van jou...’ In de trein legde ik mijn arm om haar schouder toen ze op de gang uit het raam stond te kijken, en legde haar welwillend uit: ik kan niet werken als ik in paniek ben, die vliegreis zou me helemaal van mijn stuk hebben gebracht, ik wil graag de beste reportage van mijn leven schrijven, die mensen waren geweldig, ik heb een beetje rust nodig. Ze huivert, gemeen: ‘Dit is ook een station uit Diana.’ Ik ben zo stom om me een ‘ja’ te laten ontvallen. ‘Alles wat je met haar hebt beleefd, moet je dat zo nodig...?’ ‘Diana bestaat niet, stom mens!’ ‘Alles wat jij schrijft bestaat, je bent niet in staat om dingen te verzinnen.’ ‘Dade-dade.’ Maar tot aan Boekarest bleven haar stekels overeind staan, een lange reis, met nog een uur vertraging bij Câmpina.

            De reportage klonk uiteindelijk malrauxiaans, doordrenkt van solidariteit en verantwoordelijkheid. Een neorealistische golfstroom verzachtte zijn al te formele ongepolijstheid; uiteraard bevatte het geen verwijzingen naar Kyo, ook niet naar de vrouw uit Nojorid. Het licht viel op het horloge van de machinist, op de schep en de kinderen van de stoker, op het nachtelijke vetspek met ui – maar aan het uiteinde van alle wegen straalde, kool en diamant, de idee van de mannelijke broederschap. De reportage had de kille titel ‘Een gevoel’ meegekregen. Hij was opgedragen aan T. ‘Mevrouw T.?’ grapte Tinibalda, eindelijk wat relaxter. Voor de gein streepte ik de initiaal door. ‘Er valt wel meer te schrappen’ – merkte ze streng op. Ik versomberde: zowel prometheïsch als censor?

            Alleen zat Paul niet op de redactie en zou hij nog een maand wegblijven, aangezien hij naar Knokke-Zoute en andere literaire oorden was vertrokken. De snoepreisjes naar alle uithoeken van de wereld waren begonnen – ik moest iets wegslikken. Uiteraard was het niet uit verlangen naar Europa – al die uitstapjes naar het buitenland hebben me altijd koud gelaten en voor paspoorten heb ik altijd gepast – dat ik iets moest wegslikken, ik was met stomheid geslagen bij de gedachte dat ik in de handen van Stoicănescu zou vallen, een letterkundige die in mijn geval (lijdend voorwerp) bijzonder streng was, een ongeneeslijke vijand van het negativisme in iedere vorm waarin deze zich ook tracht te verhullen (einde citaat uit een artikel van hem). En als man van de inhoud legde Stoicănescu negativisme bloot in al zijn verschijningsvormen. Geen enkele vorm was zo sluw dat hij zijn ezelsoren (van het formalisme – noot auteur) kon verbergen – een ander memorabel citaat waarmee gewapend, in mijn ziel en gedachten, ik door de smalle gangen van de redactie liep, naar de meest afgelegen kamer, waar hij werkte in zijn hoedanigheid van hoofd van de afdeling proza. Ik trof hem achter zijn bureau – wij wisten allemaal dat de man zijn kamer uitsluitend verliet voor twee roepen der natuur per middag en voor het overige het leven van de tovenaar van Oz leidde. Ik voelde mezelf de leeuw in dit verhaal, mak, angstig en bedroefd. Op spannende momenten had de literatuur van mijn ziel een nogal buitenissige bibliografie: in een flits kon ik overgaan van Malraux op Petre Ispirescu; in twee afgronderige stappen ging ik zonder hiaten en tussenruimtes over van De toverberg naar De ridder van de gulden ster en ik wist niet langer of ik Castorp of de lichaamsloze schone was.

            Stoicănescu las me echter direct, uitermate voorkomend, want hij wist van kameraad Paul – hij noemde zijn naam niet – dat ik veldwerk had gedaan, een idee waar hij niets op tegen had gehad, aangezien iedereen een kans moet krijgen. Hij nodigde mij uit plaats te nemen en te wachten totdat hij het manuscript had gelezen. Ook literatuur kan niet zonder voortvarendheid. Duidelijke zaak. Vanaf het balkon van zijn kamer maakte ik een wanhopig gebaar naar beneden, naar Tinibalda op de binnenplaats, die het zich – tot mijn geluk – met wijd gespreide armen gemakkelijk had gemaakt tegen de rugleuning van de bank, precies onder Stoicănescu’s raam, met een vreemde intuïtie voor de route die ik door de redactie had afgelegd; Tinibalda reageerde kalm op mijn gebaar, dat ze op me wachtte, en ze stak haar gebalde linkervuist omhoog in een nieuw Non passaran! Dat vertederde me – ze zag me stram en waardig op de stoel voor Stoicănescu’s bureau zitten. Ik begreep dadelijk dat hij me aandachtig las, ongehaast, ongedwongen. Na een halfuur hield ik mijn stijve houding niet langer vol en besloot om neer te ploffen in de pluche leunstoel in de hoek, waar behoorlijk de mot inzat. De man richtte zijn blikken niet op van het manuscript. Een steeds duidelijker omlijnde glimlach tekende zijn gezicht. Het viel me op dat hij tijdens het lezen geen potlood gebruikte. Zijn opmerkingen in de kantlijn – ‘maak het nou!’, ‘dat meen je niet!’, ‘let op het ideologisch gehalte’, ‘gevaarlijke bocht’, ‘is dat onze werkelijkheid?’, ‘sinds wanneer hebben we het melodrama weer van stal gehaald?’, ‘Hamletachtig gedrag is niets voor ons’, ‘de groene boom des levens is veel rijker...’, ‘met stompzinnigheid schieten we niets op...’, ‘heeft de auteur nooit van Lenin gehoord?’ ‘dat is een goeie!’, ‘snap ik niet!’, ‘de bourgeois redacteur...’, ‘vrijheid = noodzaak’ en meer van dat soort venijnige uitdrukkingen – waren beroemd en werden als legendes van mond tot mond overgedragen. Hij speelde niet eens welwillend met het potlood. Hij las me glimlachend. Bij het vallen van de schemering reikte Stoicănescu me plechtig het manuscript aan; werktuiglijk sprong ik overeind uit de stoel en pakte het aan, zonder dat ik in de gaten had wat er ging volgen. Wat volgde was een sobere aanklacht, goed beredeneerd en onverbiddelijk: zelfs over zijn lijk zou deze reportage – intimistisch, platvloers, onbeduidend en om het onderwerp heen draaiend – niet in Roemenië verschijnen; mijn welbekende negativisme – waarvoor ik waarschijnlijk nog niet genoeg had geboet – had nog perfidere uitingsvormen gevonden; het richtte zijn pijlen nu op het nieuwe, op heldere gevoelens, ja zelfs op mateloze goedheid: mijn negativisme was een nieuw kleinburgerlijk sentimentalisme dat werd botgevierd over de rug van de arbeidersklasse; de arbeiders zouden me stenigen als ze zagen hoe ik hun leven en hun gevoelens misvormde, hoe mijn smeerlapperijen hun werkpak bezoedelden. ‘Bezoedelden?’ reageerde ik uiteindelijk als gebeten. ‘Wij weten best wie Kyo is, als je me niet kwalijk neemt...’ ‘Sinds wanneer gebruikt u dat soort beeldspraak?’ wond ik me op. ‘Niets van wat menselijk is, is ons vreemd’ – en hij kwam, nogal goed gemutst, overeind uit zijn stoel. Ik kreeg medelijden met mezelf. Ik overwoog een concessie te doen: ‘Is er werkelijk niets aan te doen?’ ‘Alleen het graf’ – en toch stak hij me de hand toe.

            Terwijl we over de Magheru-boulevard liepen, luisterde Tinibalda braaf naar mijn volkomen getrouwe weergave, zonder polemische stembuiging, zonder vooringenomenheid mijnerzijds. ‘Dus ga ik op Paul wachten, zodat hij het ook kan lezen,’ concludeerde ik, terwijl ik me zoveel mogelijk tegen haar aandrukte, geërgerd doordat we ons een weg moesten banen door de menigte mensen, die ik soms wist te omzeilen, maar tegen wie ik dan weer aanbotste, een stomme situatie die altijd optreedt wanneer je op straat iets probeert uit te leggen. Zij leek geen last te hebben van de omgeving en van de ruimte; ze voerde het neorealisme ten top toen ze me aan het einde van mijn betoog om een krakeling vroeg. ‘Ik heb geen leu.’ ‘Je had gezegd dat je er tien had.’ Ik kocht een krakeling voor haar, ik bood haar ook een glas spuitwater aan, van dezelfde kiosk. Ze nam hem aan en we liepen verder naar de boulevard met de bioscopen, terwijl zij op de krakeling kauwde. Toen zette ze het andante in, tamelijk samenhangend: trek niet zo’n smoel – ik trek helemaal geen smoel, welles, er zijn ook grotere rampen, welke dan? Ik antwoordde haar snel, met een oprechte kwaadheid, plotseling vastbesloten om met haar een scherzo finale uit te voeren. Ik sloeg de Edgar Quinet in, ‘waar gaan we heen? ’s Avonds laat is het goed om...’ ‘Er is niks goed,’ en ik barstte uit: ‘Er bestaat geen grotere ramp dan wanneer je niet gepubliceerd wordt...’ Zij daagde me uit en stak een homp krakeling naar me uit. ‘Ik dacht dat je zei dat je niet wilde publiceren. Je spreekt jezelf tegen.’ ‘Stom wijf!’ – antwoordde ik haar overdadig. ‘Stom wijf!’ ‘Dade-dade...’

            We liepen voor restaurant Capşa langs: ‘Trakteer me op een snoekbaars bonne-femme. Als je me op een snoekbaars bonne-femme trakteert, zal ik je vertellen wat je moet veranderen.’ ‘Ik moet niets veranderen. Ik verander niets.’ ‘Je moet het wat helderder maken...’ ‘Wat moet ik doen? – ik betrapte me erop dat ik stond te brullen voor de winkel in kinderkleding Romarta copiilor. ‘Wat moet?’ brulde ik, terwijl ik bleef staan. Tinibalda keek me recht aan en we bleven allebei als versteend staan te midden van de menigte die om ons heen liep en steelse blikken in onze richting wierp. ‘Ben je gek geworden?’ mompelde ze tegen me. ‘Zeg nog eens, zeg nog eens wat ik moet doen!’ – in de schemering, begon in de lichtbak van Informaţia het nieuws van de dag te verschijnen: Mogadishu... ‘Ben je gek geworden?’ en ze probeerde me over mijn gezicht te strelen. Ik mepte haar hand weg. Alle postzegelverzamelaars rondom Romarta stopten met ruilen en kwamen om ons heen staan: ‘Laat haar met rust, man, ga toch weg, mevrouw, laat hem de klere krijgen’ – Tinibalda keek naar me, mooi als ze was en voortdurend met haar ogen knipperend. ‘Vertel op, vertel op,’ schreeuwde ik tegen haar, ‘vertel op wat niet helder is, hoe weet jij dan wat wel helder is?’ Ik hoorde wat gelach. Ik gaf haar nog een mep, op haar stevige heup, in het meest bandeloze eerbetoon dat ik ooit aan het neorealisme heb gegeven: ruzie midden op straat tussen een man en een vrouw die stapelgek op elkaar zijn. Zij draaide zich om en probeerde zich uit de groep los te maken, het woord Cambera, dat van verre kwam, flitste over haar gezicht, ik dwong haar zich om te keren, ook net als in de film (hartstochtelijke Franse films, Gabin-Morgan, in het filmhuis), waarbij ik haar arm verdraaide zodat ze ‘au’ riep, en iemand gaf me een ram op mijn schouder: ‘Hé, schoft!’ ‘Ga je me nog vertellen wat ik moet veranderen? Wat moet ik...’ Zij wreef over haar arm. Ik ergerde me rot aan haar: ‘Wil je me het leven zuur maken? Wil je me redden – rotmens...? Rotmens... Ik heb geen zin voor jou te schrijven...’ ‘Schrijf dan niet voor haar!’ luidde het Caragiale-achtige commentaar van een postzegelverzamelaar. ‘Wil je dat ik onzin voor je schrijf? Dat kan ik niet... Ik heb geen zin om...’ ‘Schrijf maar wat je wilt!’ brulde Tinibalda tenslotte, ‘en krijg de klere met al die ideeën van je!’ sprak ze van begin tot einde een essentiële zin uit.

            Ik liet haar de straat oversteken, maar meteen – door de opengevallen kring van de mensen die haar bij haar vertrek hadden gedekt – rende ik achter haar aan, over het trottoir van de Militaire Kring waar op het terras het café-concert-orkest ‘Op een Perzisch plein’ had ingezet. Ik weet niet hoeveel van hen me achterna gingen, zonder zich iets aan te trekken van de auto’s die verbijsterd op de remmen trapten. Tinibalda liep in de richting van de boulevard, ik verwachtte dat ze bij Trianon naar binnen zou gaan, ze had me die ochtend al verteld dat ze Stage Coach wilde zien. Na jaren met goud voortbrengende sterren werd de eerste western vertoond. Ik kon haar niet alleen laten. Ik moest erbij zijn als zij de eerste western van haar leven zag! Ik begon te roepen: ‘Wacht! Ik ga met je mee! Ga niet zonder mij naar binnen!’ Ze draaide zich niet om, de mensen lachten, trappelden, renden achter me aan, ik hoorde: ‘Raak haar niet kwijt!, pak haar!, zorg dat je niet..., geen vrouw is het waard...! Hé, je moet niet achter trams en vrouwen aanrennen.’ Ik riep: ‘Tini, meisje...’ En plotseling: ‘Dade-dade...’ Het verkeer stopte niet, de trolleybussen suisden met een doordringend geluid door de straat, naar het Cişmigiupark, de telex spuide nog altijd het wereldnieuws, Tinibalda stapte kittig, vastberaden, met haar grote heupen in haar nauwsluitende mouwloze zomerjurk, ik riep nogmaals ‘dade-dade’, een man die vrolijk voortstapte stelde de diagnose: ‘Hij is gek geworden, laat hem maar!’ Maar Tinibalda bleef bij het tweede ultimatum staan – voor het Militair Museum pal naast de bioscoop Central. Ze wachtte op me. Ik kwam dichterbij, er was niemand meer bij ons in de buurt.

            ‘Neem me met je mee naar Stage Coach,’ fluisterde ik haar toe, met een nieuwe vriendelijkheid, van een olijftak.

            ‘... als je me belooft het te herschrijven!’

            ‘Ik herschrijf niets!’ brulde ik, geel aangelopen.

            ‘... als je me belooft...’

            ‘... ik beloof niets!’

            ‘Ik kan niet leven met idioten,’ zei ze effen, normaal, zonder enige hartstocht. Haar kalmte en logica verblindden me. ‘Alleen idioten...’

            Ik haalde diep adem en blies de lucht weer uit, uit het diepst van mijn longen in haar gezicht, alsof ik haar op dat moment wilde wegblazen, als een kwade geest. Tinibalda werd niet weggeblazen, maar was ook niet meer in staat om de meest ware zin die in haar gedachten en in mijn leven was opgekomen, tot het einde uit te spreken. Ik was niet geïnteresseerd in het einde ervan, ik begreep het maar al te goed.

‘We zien elkaar we wel weer wanneer het verschijnt...’

            ‘Over honderd jaar?’ depte ze, met een onverwacht pijnlijke guitigheid, het leven dat uit de wond stroomde.

            ‘Over honderd jaar...’ En met één sprong was ik, met een geforceerde vrolijkheid, in Gambrinus, waar ik, als een echte Boekarestenaar, een kaaspasteitje en een pul bier bestelde.

            Ik heb altijd de mazzel gehad dat ik mijn exen nooit meer ben tegengekomen. En toch – overeenkomstig de vloek die ze over me heeft uitgesproken – kan ik niets anders schrijven dan wat ik heb beleefd, niet in staat om dingen te verzinnen, om mezelf te redden. Ik ben echter met een trauma blijven zitten – dat ik de door mij beminde vrouw af en toe bel en in plaats van dat ik iets zeg, haal ik zwaar, piepend adem in het toestel, ten teken dat ik besta. Daarna hang ik op.

 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Vasile Ernu
Translated by: Monika Oslaj

Oda sovjetskom toaletu

Oda sovjetskom toaletu Posvećeno Iliji Kabakovu Za sovjetskog građanina ne postoji ništa intimnije od toaleta (Dopustite mi sa velikim poštovanjem koje imam prema ovom mjestu i ovoj ...

Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx