As

Donkere lichamen, Hoofdstuk I

Stelian Tănase | September 30, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

As

Een

De vluchtige en koele nacht treft hem zodra het raam op een kier staat. Het was al bijna middag toen hij eindelijk zijn nest in was gedoken. Zijn nek doet pijn, zijn schouders wegen zwaar. Als een kater strekt hij zich uit op de vensterbank. Hij blikt langs de daklijsten, in de brandgang en op het pleintje of hij Jerry ergens ziet. Nergens te bekennen. Zijn ogen raken gewend aan het donker. Buiten ziet hij een menigte blauwpaarse en grijze gestalten, langgerekte schaduwen. Een lichteffect dat vermoeiend is aan zijn ogen. Best veel mensen op straat, het is paasnacht, de dienst is afgelopen en ze keren naar huis terug met brandende kaarsen in hun handen, steken gefragmenteerd de tramrails over. Sommigen blijven op de haltes staan en vullen de wagons met lichtjes die de ramen doen oplichten. De overgeblevenen verdwijnen tussen de vale flatgebouwen uit het zicht. Beneden, een mengelmoes van indiscrete stemmen. Hij wordt gekweld door zenuwpijn, slikt een aspirientje. De bittere smaak doet hem even huiveren, hij stopte watten in zijn oren, gaat weer languit op de bank liggen, met zijn ogen op het plafond gericht. Pia. Hij beluistert zijn zware ademhaling, een brok in de keel. Hij ligt te woelen, draait aan de knop van zijn oude radio. Op de kortegolf overal kerkdiensten, Europa in de greep van de vroomheid.

            Hij duikt de keuken in, op zoek naar iets om te eten, niet dat hij trek heeft, maar hij weet niet zo goed wat hij met zichzelf aan moet. De stapel smerige borden in de gootsteen, de vuilnisemmer die al een week niet is geleegd, eierschalen, de droge worstvelletjes op het buffet, de halflege fles melk, een broodkapje op het paarse tafelzeil. Het eetbakje van Jerry, zijn aanhalige lapjeskat, onder de radiator, in de hoek het krantenpapier, de kattenbak, de poep. De kater is zindelijk, dat moet hij hem nageven, nu is hij achter de vrouwtjes aan. Hij trekt de stekker van de koelkast eruit. Hij weekt wat brokjes in de melk en legt ze in het bakje. Voordat ik thuiskom, is Jerry wel weer terug. Op de gang bekijkt hij zichzelf in de spiegel. Zijn tronie zegt hem niets, hetzelfde uitdrukkingsloze, lichtelijk misprijzende gelaat, de wallen onder de ogen, de onverzorgde baard, hoi, de mazzel! Door de muren dringt het geruzie van de Ionescu’s tot hem door, het is al na middernacht en die dochter van jou is nergens te bekennen, noem jij dat opvoeden, jij bent ikweetniethoe, ze is naar de paasdienst, ze is helemaal niet de hort op. Er knalt een schaal tegen het beton, de vrouw gilt, een dichtgesmeten deur. Laat die vent met wie ze haar gemaakt heeft de klere krijgen!

            Een oprisping vult zijn mond, bezorgt hem een bittere smaak. Hij eet wel een hapje in de Club. Hij pakt zijn jack van de kapstok, zijn baret, de sjaal, hij steekt zijn voeten in de mocassins en vertrekt. Werktuigelijk sluit hij de deur achter zich af. Fluitend loopt hij de trap af. Hij kijkt of de lift het doet, defect. Op de overloop komt hij madame Elvira van de derde tegen, zwaarlijvig opgemaakt geblondeerd, die moeizaam hijgend de trap bestijgt. Ze zegt dat Hij is opgestaan, waarlijk is Hij dat, geeft hij ten antwoord, daarna zwijgt ze. Ze heeft een gezicht als een opwindpop. Hij drukt zich tegen de muur om haar voorbij te laten, een ogenblik lang heeft hij de geur van zweet en naar gehakt ruikende kleren in zijn neusgaten, haar van rook doordrongen haar, haar deodorant. De stank veroorzaakt kortsluiting in zijn lever, hij hapt naar adem. Madame Elvira glimlacht naar hem, ach meneer de pianist, u heeft geen idee wat u boft, dat u thuis kunt blijven om muziek te maken, echt waar. De laatste tijd hoor ik echter niets meer, is er iets, heeft u de piano verkocht? Ik haast me, zodat mijn kaarsje blijft branden, voor de ziel van wijlen Gusti, hij is er niet meer. Tja, een spoorwegongeval, m’neer de pianist, wanneer komt u eens een keertje bij mij langs, wat dacht u van morgen, want dan is het zondag, ik bedoel vandaag, het is al morgen, het is paasnacht, ik heb lamsvlees en gekleurde eieren. Het spijt me, ik ben afgedraaid als ik terugkom, ik hoop dat ik ’s middags een dutje kan doen, ik heb een optreden. Kom nou, m’neer Sandu, je jokt tegen me, je gaat bij een jong juffertje op bezoek, dat weet ik best. Ik ben zelf nooit getrouwd geweest, ik heb me vrijgehouden, ik ben zeer gesteld op mijn vrijheid, zelfs als ik daar met eenzaamheid voor heb moeten boeten. En wat voor optreden, als ik zo vrij mag zijn? Ik heb nergens affiches gezien, en niets op de radio. Geef je een pianorecital? O ja, jij speelt jazz, dat heeft m’neer Făinuş me verteld. Die was komen vragen hoe jij je bedruipt, waar je van leeft, of je bezoek ontvangt, wanneer je gaat en komt. Nou, hoe zit het, je hebt me nog niet verteld over je concert. Rock, mevrouw! In een club, helemaal bij het eindpunt van de metro. Is dat zo, brengt ze ontgoocheld uit, nou ja, en hou jij dan van die herrie? Nee, maar op deze manier zorg ik ervoor dat mijn botten en mijn klieren in beweging blijven. Tegen die man moet u maar zeggen dat ik daarmee mijn brood verdien, door in clubs te gaan staan blèren. Een buurtdiscotheek. Plus bruiloften en doopfeesten, ik zoek een impresario die mij voor goed geld kan verhuren, heeft hij daar geen belangstelling voor? M’neer Sandu, je neemt me in de maling, wat heb ik jou dan misdaan, kom toch gezellig bij me langs, Sile komt ook, mijn nieuwe geliefde, dan kun je vertellen wat je van hem vindt. Madame Elvira had al eerder twee kerels aan hem voorgesteld, de laatste een besnorde televisiereparateur (de andere was een tandtechnicus met een fietsenrek geweest) die hem gelijk liet weten dat hij goed geld verdiende, hij zou hem met piano en al kunnen kopen, en hij wilde dat hij iets zou spelen voor hem en zijn vriendinnetje, met wie hij erg was ingenomen. Hij had hen in hun geluk gaar laten sudderen. Eenmaal terug op zijn kamer heeft hij tot in de kleine uurtjes op piano zitten raggen. Hij produceerde een mix van Liszt ragtime blues Schumann boogie-woogie Mozart, zodat ze hun hart konden ophalen. Ik had nog willen vragen, schoot hem op de overloop te binnen, of u heeft genoten van het programma van vorige week? Enorm, en ik ben stapelgek op kunstenaars, ik ben een gevoelsmens. M’neer de pianist, als we hier toch ons hart staan te luchten, wou ik ook nog even kwijt dat je te veel op jezelf bent, op zo’n manier ga je verwilderen! Hij liet haar achter in de duisternis die nauwelijks door het fletse peertje werd verjaagd.

            Op straat bleef hij op de stoeprand staan om zijn evenwicht te zoeken, hij wilde eigenlijk oversteken, maar.

            Best veel mensen schuifelen stilzwijgend over straat, tot bezinning gekomen, nemen de trottoirs in beslag. Een groot aantal van hen loopt langs de rails, zonder acht te slaan op auto’s, bussen en trams. Sandu stopt zijn handen in zijn zakken en buigt zich over een fonteintje. Hij laat de waterstraal over zijn gezicht, oren, haar, baard lopen, sluit zijn ogen en heeft het gevoel dat Pia in de buurt is en naar hem kijkt. Hij rekt zijn genoegen totdat een stem hem doet opschrikken, schiet eens een beetje op, heb jij geen huis? Het is om te drinken. Hij recht zijn rug, maakt met een bevallige buiging ruimte voor de dorstige en verwijdert zich. Hij buigt zijn hoofd achterover, kijkt naar de lucht, laat de druppels over zijn hals rollen, sluit zijn ogen. En niets. Het beeld van daarnet is verdwenen. Met zijn mouw veegt hij zijn baard en mond af. Hij staat te dralen, met zijn voeten stevig in het asfalt geplant, mja, hij gaapt luidruchtig, schaamteloos, spreidt zijn armen wijd uit op het drukke kruispunt. Hij drukt zijn baret wat steviger op zijn hoofd. Het is kil geworden en het dreigt ook te gaan regenen, de lucht is betrokken. Hij slaat een willekeurige richting in. Een nerveus ratelende tram sleept zich traag in de richting van de wolken die boven de daken zweven. Een lijkbleke/glimlachende bestuurder baant zich een weg door de mensenmenigte op de rijweg, het schijnsel van de koplampen doorklieft de levende duisternis. Flakkerende lichtjes in de wagons, uitgeputte gezichten in de ramen. Sandu grijpt zich er in het voorbijgaan aan vast. Drabbige traagheid, kille aprilmaand, mistig, feestelijk. In een zak vindt hij een zuurtje, hij gooit het snel in zijn mond. De citroensmaak verkwikt hem. Vier haltes verder stapt hij uit, na een nachtelijke rit door hetzelfde landschap van trottoirs vol met mensen en brandende kaarsen. Hij stapt over op een andere tram, deze nacht geniet hij overal van, van de drukte, van het geroezemoes, van de paarse wolken, de verlichte vensters, zelfs van de patrouilles van de militie die in groepjes op de kruispunten staan, hij stoort zich nergens aan. Hij bekijkt de stad over de hoofden van de voorbijgangers heen, een dakgoot, een loszittende regenpijp, een bedrijf eenenveertig lei levering franco aan huis, een pas uitgelopen witte sering, reclame voor een film, een wit standbeeld, een hotel, een balkon met een waslijn waaraan kleren hangen te drogen. Het eindpunt, een paar geparkeerde bussen, verlaten wagons, schaftketen, een slaperige bewaker, hier is het minder druk. De wind doet zijn jack bollen. Hij steekt de brede strook asfalt over, huppelend tussen de plassen diesel en de geulen met grijs gras. Hij beent langs het benzinestation, waar mensen in de rij staan om hun gasflessen te laten vullen. Hij wuift vrolijk naar hen, het duurt nog even voordat de dag aanbreekt, droom maar lekker. Een van hen scheldt hem uit, maar hij hoort hem niet, en wat dan nog. De nachtapotheek met twee in het wit geklede tantes die op de toonbank liggen te dutten. De buurtbioscoop, de garage voor bandenreparaties met een reusachtige, roodgeschilderde autoband die boven het trottoir bungelt. Hij slaat een smal straatje in, vlak onder een lantaarn die op het wegdek een rossig voetlicht verspreidt, is de gedachte die bij hem opkomt. Hij is vlak bij de club en is weer in het gedrang terechtgekomen. Iemand herkent hem, ze wisselen een paar woorden. Een roze etalagepop gaapt hem aan. Wedden dat diens ziel ook is herrezen. Morgen zal de bedrijfsleider bij de telling merken dat de pop is verdwenen en zal hij genoodzaakt zijn om zelf zijn plaats in te nemen onder het raampje tussen de gipsmodellen. De stramme pop grijnst vrolijk. Zijn blik is iets levendiger dan die van Sandu. Deze verdwijnt in de menigte die zich verdringt voor de glazen wand van de club. De danssalon, de zaal voor feesten en bals, vergaderingen, braderieën, waar ook een boksring staat, achterbuurtvermaak. Op een muur tot aan de dakrand affiches voor een boksgala, donderdag een Indiase film. Twee vagelijk oosterse gezichten staren elkaar smachtend aan vanachter een bosje palmbomen dat door een olifant wordt bewaakt. Een aankondiging dat Sandu’s band vanavond speelt. Leer typen als u een baan als secretaresse wilt, een naaicursus helpt u geld te besparen.

            Hij drukt zijn baret stevig op zijn hoofd en baant zich een weg door de vormeloze massa die over het trottoir kronkelt, een extra kaartje. Soby friemelde aan haar, en dat mokkel, zo hé, die meid stelde zich aan hij zat haar poesje te kietelen en zij gaf hem een lel op zijn vingers, wat denk je wel, als je dat nog eens, maar ze schurkte tegen hem aan zodat hij naar adem snakte wat is er met Vică gebeurd die is met zijn motorfiets in een greppel beland hij was van de weg geraakt de hulpdiensten hebben hem pas de volgende ochtend gevonden hij is op de Eerste Hulp in het gips gezet het duurde een eeuwigheid wij zijn met het hele stel bij hem op bezoek geweest toffe gozer als ik een ongeluk zou hebben gehad en mijn vriendin niet echt stapel op me was, ze trekt op met die zeikerd, een vent van niks maar hij is student, tja, zijn broer is de Donau overgezwommen en heeft zijn ouders een briefkaart gestuurd uit een zo ver land dat die ansichtkaart er drie maanden over heeft gedaan nou ja zij legt het aan met, zelfs op het eindexamen had ze het laten afweten want Gino en Nicu uit klas 11B zijn er allebei overheen geweest, zij houdt alleen van Gino maar Nicu is zijn beste vriend en zij delen haar zonder problemen ik heb gehaktballetjes voor je meegebracht, heb je daar trek in mama heeft vlees meegenomen uit de bedrijfskantine, de mijne is met die nieuwe vent van haar naar Târgovişte om hem aan de familie voor te stellen, dus vannacht zijn wij helemaal op onszelf het is voor ons de fijnste van alle feestdagen, jullie zijn luilakken juffertjes ga met mij mee naar huis afgezien van wat te bikken ligt er in de koelkast ook een fles Stalitsnaja wodka en Sili de kater komt ook, en Robe en Klaus, misschien is het leuker met zijn tweetjes jochie, krijgen we eindelijk ook eens de kans om uit ons dak te gaan, het kan me niet schelen, maaaam pliiiz dont gow pliiiz dont gooow geef mij je spijkerbroek verkoop ’m aan mij trakteer me op een roomsoesje bij de ijssalon anders krijg je niets van mij te zien en blijf met je fikken van mijn rokjes af, rotmeid, ik heb een slaapzak nummer één met 1 mei ga ik kamperen in Costineşti, ik was me wel aan de pomp, ik eet in de kantine aan de lopende band net als de studenten, en ik kan er geen genoeg van krijgen om dag en nacht op het strand te liggen ik ben de laatste die weggaat, heb je in die slaapzak van jou geen plek voor een arme stakker als ik volgende zomer doe ik het hele programma je zult het wel vreselijk met me te doen hebben maar ik ben geen maagd meer ik ben mijn onschuld zogezegd verloren toen ik nog maar zestien was toen de klassenlerares mij liet stralen omdat ze vond dat ik niet deugde en ze wilde dat mijn ouders naar school kwamen en die ouwe lui van mij zijn naar alle windrichtingen uitgewaaid mijn vader legt asfalt in Irak en mijn moeder draait in het ziekenhuis de ene nachtdienst na de andere, iedere nacht, ze komt nauwelijks nog thuis ze is zenuwpatiënte en kan er niet tegen om alleen te moeten slapen ik zie dat jij inhaleert Rapid gaat winnen die slapjanussen twee goals om hun oren wij degraderen heus niet dat stomme mens maakt het uit met Margraonu hij slaat haar ze heeft een blauw oog Vaska heeft d’r haar geverfd hé man als die bas niet dreunt in mijn middenrif is het geen muziek die me ontroert die me tranen in mijn ogen bezorgt die me aangrijpt en mijn hoofd op hol brengt zodat ik mijn zenuwen een beetje kwijtraak dat is pas echte muziek als ik het leven dat ik leid even kan vergeten ik wil gelukkig zijn en alleen aan mooie dingen denken wil je een boterham met worst heel goed je bent een lieverd.

            De hoge zaal gonst van de gemengde geluiden, de apparatuur wordt getest, jongeren uit de wijk die zijn gekomen om zich te vermaken en lauwe limonade te drinken, op koekjes te knabbelen en stevig over hun nek te gaan, tegen hun danspartners aan te schurken, zich te pletter te zweten one for the money two for the show. Sandu maakt een praatje met een saxofonist, verdringt zich voor het buffet, koopt een rol zuurtjes, kijk daar heb je die grapjas van een Gigi, een grijnzend smoeltje, een toffe meid zonder kapsones die hem soms in de coulissen een handdoek toesteekt zodat hij het zweet van zijn gezicht kan vegen, en dan doet ze er nog gratis een glimlach bij, ze stopt zijn gitaar in de koffer nadat ze hem heeft schoongemaakt. Hij is gestopt met pianospelen sinds Pia hem de bons heeft gegeven, hij kan geen toets meer aanraken als er iemand bij is. Als hij alleen thuis is, wordt hij soms bestookt door herinneringen. Gigi geeft hem een knuffel, zoent hem, zullen we bacteriën uitwisselen? Jij bent een engel, jij hebt toch geen bacteriën! Ik heb een sjaal voor je meegebracht, vind je ’m mooi? En hij zoekt in het plastic tasje. Zijn de jongens er al? Ja, ze zitten in de kleedkamer. Hoor ’s, zegt ze terwijl ze het puntje van haar tong naar buiten steekt en haar gewicht verplaatst van haar ene voet op haar andere, hoor ’s, mag ik na afloop van het concert met je mee? Waarheen? Hij haalt zijn schouders op en maakt rechtsomkeert om zich beneden te gaan omkleden.

            Wat een hoop volk, Sandu

            Ze halen de mensen liever naar een club dan dat ze allemaal door de kerk lopen te banjeren

            Man, jij gaat zitten filosoferen terwijl wij op hete kolen zitten!

            Heb je mijn kabel gevonden?

            Nee, Sandu, ik heb een andere op de kop weten te tikken, jack op jack, op die Marshall van jou past-ie perfect

            Goeie zaak dat die oudjes je een keertje bespaard blijven, vrolijk jong spul en zo zuiver als de dageraad

            De wanden behangen met affiches. Felix doet kniebuigingen, hij is nerveus, doe ’s een beetje rustig, we krijgen de zenuwen van je. Biii breef soldjer, biii breef. In de frontlinie word je toch bekogeld met tomaten en eieren. Heb je meteen je boodschappen gedaan, joh, want die zijn nergens te krijgen, thuis vliegt je moeder je om de hals van geluk. Plus het gejoel, dat is voor jou. Hem wordt een hart onder de riem gestoken door kam’raad Teşu, die het inleidende praatje, de grappen en grollen voor zijn rekening neemt. Hij was de kleedkamer binnengelopen om een waakzame blik te werpen. Niemand ontbreekt en hij is erg met zichzelf ingenomen, een puike organisator, het wordt een spektakelstuk, de pers zal erover schrijven. Kletskoek! Wie nog naar hem luistert spoort niet helemaal. Pas op, kanjers, geen rare dingen doen, geen geintjes. Gedraag je een beetje, niet het publiek gaan opzwepen, jaaa? Het zou jammer zijn als jullie vergunningen werden ingetrokken, en in een nacht als deze kan er van alles gebeuren, jullie zijn gewaarschuwd. We krijgen ook controle, dus... Ik zeg verder niks. Sandu zit te wriemelen aan zijn rits, hrst omhoog, hrst omlaag, ritmisch. Relu trommelt op een deksel, Ovi fluit. En natuurlijk zijn jullie ook niet even naar de kapper geweest! Nou ja, daarom loopt iedereen met jullie weg, als jullie er net zo uitzagen als ik zou er geen hond naar jullie komen luisteren. Iemand schenkt een mok wijn voor hem in. Kam’raad Teşu zegt: God zegene u, en trekt zich terug met zijn ogen op de tieten van één van de meisjes gericht. Oké, ik laat jullie alleen, heren topartiesten, ha ha! De wereld is van jullie! Hij gooit de deur achter zich dicht. Jij daar, waarom draag jij geen beha, brouwt Relu, haar officiële vriendje, zag je dan niet hoe hij stond kwijlen? Hij mag zijn ogen de kost geven zoveel hij wil. Pets-pets, twee meppen, ze komen tussenbeide om hen uit elkaar te halen. Wat krijgen we nou, gaan we ruziemaken om die kapsoneslijder, maak het nou!

            Sandu kleedt zich gemelijk en onverschillig om, geholpen door Gigi, dat bemoeialletje laat hem niet met rust. Ze geeft hem zijn oranje T-shirt aan, waarop in het zwart I Hate Mondays staat geschreven. Jij haat alle dagen en niet alleen de maandagen, en jezelf, echt waar! En hier is je glimvest met die glittertjes. Hij staat daar in zijn onderbroek, geef mij m’n corduroys die daar hangen even aan, toffe witte spijkerbroek, hij had er op de knieën een scheur ingemaakt en lang geleden had Pia er en knalgroene lap op genaaid, je begint er een beetje uit te zien! verzekert Gigi hem groothartig. Je bent jezelf niet meer, ik zou je niet eens meer herkennen. Op het podium wel, maar op straat... Niet in je burgerkloffie... Ze reikt hem een militair jasje aan, met epauletten en tressen die van het uniform van een operettegrenadier komen. Poeh, niks mis mee. De anderen zijn ook klaar met de verkleedpartij. De verbeelding aan de macht, vlinderdasjes, lange jassen, baretten, veren, smokings, lavalières, T-shirts, een hoge hoed, bermuda’s. Tjonge, wat de verzameling; ze hadden er giga veel lol in om steeds van uiterlijk te veranderen, in de huid van iemand anders te kruipen en ze vermaakten zich kostelijk in de kleedkamer. Ze waren warm gelopen en waren niet meer weg te slaan bij de spiegel die op de deur hing, ze verdrongen zich er nieuwsgierig voor. Als het feest is, laten we dan ook feestvieren! Gigi zegt dat hij zich als clown moet schminken. Aanvankelijk verzet hij zich ertegen, het past eigenlijk wel bij deze nacht! Dan maakt zijn gebruikelijke onverschilligheid en lusteloosheid zich van hem meester. Als jij me zo nodig wil bekladden, moet je dat maar doen, per slot van rekening is de wereld ook gemaakt door iemand die ons uitlacht! Lulu doet hem na en speelt toonladders op de valse piano. Gigi verbuigt een haarspeld tussen haar tanden en bindt zijn haren in een paardenstaart, zodat ik het niet vies maak. Ze drentelt huppelend om hem heen, waar hij een beetje kierewiet van wordt. Hij kijkt uit het raam. Een bonte verzameling van benen, blote voeten, sneakers, onkruid. Een witgekalkte stoeprand, sandalen, het wiel van een motorfiets, stevige laarzen. De jongens lopen te paraderen met hun make-up en hun circusuitmonstering, ze staan te popelen om de bühne op te gaan, het gaat wel lukken! zegt hij bij zichzelf. Geef me even een massage, mijn nek doet pijn, vraagt hij aan Gigi, en die is blij dat hij haar nodig heeft en is vergeten haar weg te sturen.

Sandu, de boekhouder wil je spreken over de contracten. Hij loopt over de smalle, glibberige trap naar boven. Iemand heeft een fles met een olieachtige vloeistof laten vallen en de treden liggen vol met scherven. Linoleum op de vloer, tl-buizen, iets tussen ministerie en gesticht in. Voor de deur aarzelt hij een ogenblik, hij liet zich eigenlijk liever door dat meisje vertroetelen, maar die geldzaken moeten ook geregeld worden. Zodra hij binnenkomt, valt er een stilte. Ze staren hem aan. Een van hen snelt toe om hem eruit te gooien. Ze zien er schuldig uit. Een vent haast zich om de volle tafel af te dekken. Moet je nou zien, zeg, opgedirkt als een clown, je maakte ons aan het schrikken. Ze schieten in de lach, het zijn pittige types, zonder complexen! Complexen heeft alleen de gemaskerde vent die als een zoutpilaar in de deuropening staat, dat zie je op zijn belachelijke smoelwerk.

            En, wat ga je me vannacht kosten?

            Tja, het is een grote dag, m’neer Mazilu! zegt Sandu terwijl hij zijn gewicht verplaatst van zijn ene voet op zijn andere.

            Hij wordt afgekapt door een vent met een insectenkop, een groenige huidskleur, glanzende zwarte kleren: laten we eerst drinken op de wederopstanding. Lizi, breng ons even zo’n hartversterkertje, het vergt veel moed om de confrontatie met de zaal aan te durven, het wemelt er van de mafkezen. Wat is het toch met jullie, man, dat zoveel mensen te hoop lopen om het concert te zien, zeg nou zelf.

            Dat is eigenlijk een geheim…. Komt m’neer Mazilu tussenbeide met zijn vingers tussen de bankbiljetten, hij beweegt zijn lippen, want hij telt zonder naar het geld te kijken, hij hoeft het alleen maar te betasten.

            Voor ons is het ook een feestdag, die gozers... Doet het er dan niet toe wat er in onze ziel omgaat? vraagt een meid verbaasd terwijl ze de rummysteentjes rechtlegt.

            Er zit niet veel in kas! klaagt de kassier, wiens stropdas bovenop zijn adamsappel prijkt. Wij zijn ook maar mensen. Wij geloven in Jezus.

            Daar twijfel ik niet aan, zegt Sandu tenslotte op verzoenende toon, want hij wil alleen maar gauw afspraken maken over het gage en er dan tussenuit knijpen. De zaal puilt uit van de mensen, het is hartstikke druk, hopelijk is het betalend publiek! Hij buigt zich over het bureau van de boekhouder heen, dicteert de gegevens van de vergunningen van de jongens, voegt er een paar repetities aan toe en zegt: zoveel zouden we ongeveer netto moeten vangen, zegt hij, en doet een stap naar achteren.

            Nogal veel! Ik weet nog niet zo net of we dat wel kunnen betalen...!?

            Onbeleefd doet Sandu er het zwijgen toe. Zo komt het tenminste op hen over. Onbeleefd en een clown. Hij wacht tot ze een besluit hebben genomen. Het insect stelt een lager honorarium voor.

            Zoveel! eist Sandu.

            Je hebt een handje van geldzaken, meneertje!

            Ga liever eens bij de kapper langs, kale nek, hygiënisch rekrutenkoppie.

            En hoe zit het met dat pluis op je wangen...?! Waar denk je wel niet dat je bent...!

            Ach, wat maakt het uit? mompelt m’neer Mazilu, die zich zorgen maakt over het tumult van buiten, laat m toch, hij is een kunstenaar!

            En dat is te zien. Van afstand. Een clown, een potsenmaker, een komediant! Sandu draait zich om op zijn hakken, grijpt kordaat de deurkruk vast, trekt aan de deur

            ... Die lui hebben het overleefd, zij hebben geen flauwe notie hoe het was! Geen bezetting, geen verduistering, niet de hongersnood van ’46…

            En wat kan hij daaraan doen...? klinkt weer Mazilu’s schrapende stemgeluid, bang als hij is dat ze hun instrumenten inpakken en hij de mensen hun geld terug moet geven. Dan zul je pas stennis meemaken.

            Neemt u mij niet kwalijk, als je in de penarie zit, maakt het niet uit wat voor weer het is.

            Hij loopt de kamer uit. Op de gang wordt hij ingehaald door een meid en door nog eentje, die niet van de andere te onderscheiden is. Joh, je maakt je echt boos om niets! Sandu voelt een instinctieve angst voor de hijgerige stem. Hij laat zich terugvoeren naar het kantoor dat vol is met mensen.

            ... Moet je nagaan, zij verdienen geld als water! Een langharig en ongewassen zootje, ik had nooit gedacht dat wij ervoor moesten zorgen dat er bij hen brood op de plank komt! Laat dan tenminste je haar knippen...! bromt de dikzak met het grote paarse gezicht die tussen de planken van de dossierkast tevoorschijn komt. Hij had niet eens in de gaten dat je het vertrek hebt verlaten. Er is wat eigeel in zijn snor blijven plakken. Hij laat zijn vingers door het dunne dons op zijn kruin glijden. Hij is bezweet. Zijn keel zit dicht van woede. Zijn das heeft hij losgeknoopt. Het smoel van iemand die zich niets van anderen aantrekt. In de stilte die is neergedaald nadat een meisje hem een glas water heeft aangereikt, bewondert hij het gezag dat hij over de anderen uitoefent. Sandu staat een beetje te wiebelen, hij sabbelt op een holle kies. Hij zwijgt, gaat niet in op provocaties, hij weet hoe de kaarten liggen. En ja hoor, een paar tellen later begint de dikzak te glimlachen, zijn boze bui is over, opgelucht volgen de anderen zijn voorbeeld. Het insect pakt zijn handen vast en drukt ze hartelijk. Iemand geeft Sandu schouderklopjes, laten we vrienden zijn. Dat hebben we verdiend, we hadden een lesje nodig! beweert hij op verzoenende toon. Hij krijgt zoenen op beide wangen.

            Kom, laten de vrede sluiten, want verder... Pak je geld en ga maar! Teken ook maar voor de anderen, heb je een machtiging? Ja, met nauwgezette bewegingen doet hij wat er van hem verlangd wordt, hij laat de balpen over de betalingslijst glijden, het papier schuift over de glasplaat waarmee uit tijdschriften geknipte kiekjes, foto’s, een paar droogbloemen worden afgedekt, hij zet de benodigde handtekeningen.

            Als ik gek word, word ik gek door het tellen van briefjes van tien! verzucht degene die hem zojuist heeft gezoend. Haar wangen zijn besmeurd met Sandu’s schmink. Hij lacht.

            Wat valt er te lachen?! vraagt m’neer Mazilu zich af. Sandu holt de trap af, onder de tl-buizen, dezelfde stank van chloor, sigarettenrook en schoonmaakmiddel. De kleedkamer is leeg. Boven zijn hoofd trilt het podium. Voordat de toppers gaan optreden, Sandu’s ploegje dus, is er een voorprogramma. Hij strekt zich uit op een gymbank die iemand in de gang heeft vergeten – smal, koud en hard.

 

Twee

Een blik op de klok. De blauwe jurk met het witte schort glipt tussen de tafels door. Ze is laat. Je verslindt met je blikken de gestalten op de stoep. Je hebt iets besteld, maar je hebt het niet aangeraakt. Je hebt een strategisch plekje uitgezocht zodat je de ingang in het oog kunt houden. Een stelletje op leeftijd dat gearmd loopt; de vrouw, die wat krasser is, ondersteunt de man. Deze leunt ook op een wandelstok. Een ouderwets heertje. Hij blijft een ogenblik staan, laat zijn blik over de eters glijden, over de ruggen, de nekken, de profielen, hoeden, hij herkent niemand en schuifelt verder over de rode tegelvloer alsof het een schaatsbaan is. De vrouw praat tegen hem en de heer volstaat ermee glimlachend te knikken. Ze wrijven tegen elkaar aan. Ze wrijven al zo lang tegen elkaar aan dat ze met elkaar zijn verknoopt, dezelfde lucht inademen. Brrr, walgelijk, die twee zijn bij elkaar gebleven om samen te lijden, samen ten onder te gaan. Je geeft ze hoogstens nog een herfst en een winter te leven, de komende winter, vanuit je hoekje waar je alles in de gaat houdt, zij sleept die ouwe met zich mee. Je kunt zijn hartkwaal van zijn gezicht aflezen, voor hem is er geen ontkomen aan. Je grijnst en neemt een slok van je limonade. Van je gebakje ben je nog afgebleven. De blauwe jurk met het witte schort komt je vragen of je het soms niet lekker vindt, dan brengt ze je wel wat anders, ze heeft ook vruchtenijs, dat is wat verfrissender, misschien heeft meneer, nee, dank u, ik wacht op iemand, heeft u wellicht een muntje. Ze zoekt in haar zak onder het schort. Ze reikt je er een paar aan. Je pikt er eentje uit haar handpalm. Het kietelt, ze lacht. Je bewaart je neutrale blik, staat op, loopt naar de hal. Je wacht tot een officier klaar is met zijn gesprek. Ongewild luister je naar de nodige verzoekjes en excuses, je laat ongedurig je aanwezigheid merken. De officier pakt zijn pet van het apparaat en drukt hem op zijn hoofd. Hij heeft je opgemerkt. Hij zwijgt een minuut lang en hangt dan met een zucht op. Je draait langzaam het nummer, het gezoem van de draaischijf. Niemand neemt op, je laat hem lange tijd overgaan, je hebt immers niets anders te doen, en kijk aan, klik, een slaperige stem doorbreekt de afgrond van de duisternis, een leeg huis dat door gerinkel is opgeschrikt. Haar langgerekte ja. Blijkbaar heeft ze niet in de gaten dat jij de beller bent, dat ja was voor iemand anders bestemd. Je zegt, ik ben het, voegt je naam eraan toe; ze liegt dat ze direct in de gaten had dat jij het was. Volgens mij hadden wij een afspraak. Ze vraagt welke dag het vandaag is, ze geeft zelf het antwoord, o ja, vrijdag, ik was het vergeten, moet je horen, ik kleed me aan en kom gelijk, over een uurtje ben ik er. Ze heeft opgehangen. Zou ze het gehoord hebben toen je zei dat ze een taxi moet nemen? Op mijn kosten!

            Je gaat braaf terug naar je chocoladetaart met kleffe crème. Het meisje in de blauwe jurk met het witte schort glipt nog steeds tussen de tafels door. Iets kouds, om te drinken. Niet die vieze limonade. Iets kouds. Voor u zal ik eens even in de koelkast gaan zoeken. Door de grote ramen, die tot op de grond reiken, bestudeer je de voorbijgangers. Zo kun je haar wat sneller in het oog krijgen wanneer ze verschijnt. Je denkt geen grote gedachten, alleen wat vingeroefeningen. Je verdiept je in je favoriete stukken van Schumann. Je speelt slechter dan een tweederangs pianist, je slaat de maat op het tafeltje van rode steen. Je zit hier nog wel even te wachten. Je maakte een buiging met het hoofd naar een mooie vrouw alleen, je verzoekt de blauwe jurk om haar een briefje te geven namens die vent in de hoek, naast de ficus. Je bedenkt je, jij bent eigenlijk veel leuker.

            Ze blijft op het trottoir staan, tikt met het handvat van de paraplu tegen het raam, hij wenkt haar, kom binnen, eigenlijk wil ze niet, hij wijst op de lucht: het gaat regenen, ze lacht. Ze is veranderd, je probeert van haar gezicht de sporen van een ander bestaan, zonder jou, af te lezen. Een ander tijdschema, nieuwe kleren, andere adressen, de metamorfose van zoveel maanden sinds ze uit elkaar zijn. Ze dringt binnen in het aquarium van de patisserie, ze werpt je een onderzoekende blik toe met haar smalle glimlach, haar bijna witte lippen. Jouw versnelde hartslag, je verschuift de stoel waarop je zit, neemt wat afstand van de tafel. Een gebaar van vage onverschilligheid. Je gaat walgelijk formeel doen, je hebt jezelf al gewikkeld in andermans verpakking. Ze komt dichterbij, waarom ben je alleen? Nee, kijk, daar is het meisje ook, Madi, zij bedekt zijn ogen met haar koude handjes. Je herinnert je haar van de foto die op de muur hing naast de kast met partituren: frêle, ze heeft die melancholieke uitstraling van jou overgenomen, een lichte neiging van het hoofd, de onbestemde glimlach. Ze laat haar naast jou plaatsnemen, je bedwingt jezelf, geen vertoon van emoties, je voelt je keelader bonzen. Ooit waren deze twee jouw gezin. De as van Pia’s blik dwarrelt over je neer.

            Hé hoi, Sandu! Zeg jij niets tegen je vader? vraagt ze terwijl ze neerploft in de stoel, een rieten stoel zoals in de patisserieën van weleer. Ze heeft het opgemerkt, voorwerpen zeggen jou niet veel. Zij weet zelfs hoeveel het materiaal kost dat voor de zithoekjes is gebruikt, zij weet alles over dit rotleven. Aan welke kant van het bed je het beste kunt slapen, hoe lang de bus in Căţelu erover doet vanaf het station, ze friemelt aan een loshangende knoop. Ze draagt haar trouwring nog, Madi kijkt naar je, ze laat zich verward van haar stoel glijden en drukt zich tegen je aan, haar ogen zijn vochtig. Jij zwijgt, iets drukkends, een zwaar lichaam is in de patisserie neergevallen. De twee oudjes komen overeind, stevig om elkaar heen gewikkeld. Jij en Pia bedekken hen met jullie blikken. Allebei, een ogenblik lang, identiek. Je hebt hen tijdens het wachten bespioneerd.

            Je bent niks veranderd, zegt ze tegen je, zonder zich naar je om te draaien, je kijkt hen na totdat ze het trottoir verschijnen. Je hebt je niet verveeld, zegt ze tegen je. Madi heeft haar armen om je hals geslagen en wil je niet meer loslaten. Je pakt de pop uit de tas en geeft hem aan haar.

            Wat zeg je dan? vraagt Pia.

            Wanneer gaan we naar papa’s huis?

            Daar hebben we het een ander keertje wel over! kapt ze haar niet-onvriendelijk af. Vertel het je vader maar, eerst moet je hem bedanken voor de pop, daarna, schat, ik ben afgelopen zondag met haar naar de matinee van het circus geweest, stel je eens voor, een leeuwin viel de dompteur aan, ze hebben hem gered met waterslangen, Madi dacht dat het een tekenfilm was en koos de kant van de leeuw, kun je nagaan!

            Je roept de blauwe jurk met het witte schort, vraagt hen wat ze willen, geen ijs, want daar krijg je kou op de keel van, alleen gebakjes. Je wilt niets om mee te nemen, voor vanavond?

            Haar blikken, haar omhelzingen, haar ravenzwarte haar, lang en zwaar als de slaap, ’s nachts drukte jij je tegen haar aan om te kunnen inslapen, met haar geur in je neusgaten, weggezonken naast haar, haar wikkelend in jouw lichaam. Het was de geur van jullie slaap. Haar fijne gewrichten en jouw overhemden achteloos over de stoelen gesmeten en de onder de fauteuil weggemoffelde sokken, de was die in de badkamer hing te drogen, de kopjes oploskoffie op de vensterbank, de opengeslagen partituren op het goedkope, versleten tapijt, haar studieboeken opgestapeld op een plank, haar ineengedoken gestalte in de kamer waarin alleen jij leek te leven, jouw verdoofde en stiekeme liefde, de lege brievenbus, het verlangen naar zoveel volmaakte nachten, een weggevallen buitenlandse zender, keelklanken en flarden van woorden en muziek die de kamer binnensijpelden, zet hem uit, de lange dialogen totdat gelig licht door de ramen naar binnen viel. Haar aanraking, een blik die over je schouders werd geworpen wanneer je zat te oefenen, haar voetstappen op de overloop die naar de deur toekwamen en de uitgewrongen seconden terwijl je wachtte op het geluid van de sleutel die in het slot werd omgedraaid, de zeldzame mokken met thee die ze kwam brengen terwijl je aan het werk was en je voelde hoe je lippen en je keel droog werden van de spanning, van haar geur, van haar nek en hals en armen en buik en oksels en schouders en sproeten, en doorwaakte nachten in Club A in kelders waar je door de sigarettenrook heen naar elkaar moesten raden terwijl jullie zaten te luisteren naar het pianospel van Johnny Răducanu. Haar ademhaling als ze sliep, de afdruk die haar lichaam in het laken had achtergelaten, het lange wachten in de regen op een tram. De haastig in een kroeg naar binnen gewerkte omelet, de details van de avond, haar schoeisel, de films in het filmhuis na een nacht in de rij te hebben gestaan en de namen die om het uur van een lijst werden opgelezen, en dat om een oud ding te zien waarvan het celluloid verbrand en versleten was, hun jassen om de schouders geslagen tegen de kou. De kou, de kou, de kou. Haar rebelse borsten die net in zijn palmen pasten, haar luie uurtjes wanneer ze eindeloos in bed bleef liggen lezen, zo verzonken in haar boek dat ze niets hoorde, een gek makende stilte die werd verbrijzeld door jouw toonladders totdat zij je plotseling op je nek sprong om je te verscheuren, je de les te lezen. Haar droomtaille en haar langdurige bezoekjes aan de buren, ze liet je alleen zodat je kon werken en haar afwezigheid deed pijn, de kamer was plotseling leeg, genade. De manier waarop de lucht ijler werd, de spanning verstrooid werd, voorwerpen rondom weer zichtbaar werden, de piano liet zijn massieve en logge aanwezigheid gelden en je gaf er de brui aan, onderuitgezakt in jullie enige leunstoel bladerde je door een platenboek dat zij had meegebracht, je werd bang van de eindeloze hoeveelheid beestjes die op anatomische platen binnenstebuiten waren gekeerd, jou deden ze denken aan de boulimie van een ongecontroleerde vlucht, een volkje op zoek naar een toevluchtsoord. Maar waar je ook naar zou hebben gekeken, niets kwam nog als natuurlijk op je over totdat je haar in de hal hoorde, ze de glazen deur opende, met rood aangelopen gezicht, de nieuwste info afratelde die ze van de buurvrouw had gekregen, een vulgair verhaal, er had een vrijer die in de scheiding lag zijn opwachting gemaakt, een interessant type. Ze maakte een verveeld handgebaar, jouw gezicht bleef onveranderlijk, je was blij dat ze terug was. Hoezeer hing jij aan haar! Aan haar stemmingen, aan haar scènes, aan haar verlangens! Je voelt haar zelfs nu nog, zelfs als ze er niet is, stel je haar een vraag. De kater springt van de bank. De telefoon rinkelt, het is jouw verwenavond, je neemt niet op. Haar foto op de piano, naast de asbak, een stapel partituren, een appelschil.

            Zij hanteert het lepeltje zonder het bordje te raken, scheidt zorgvuldig het bladerdeeg van de vulling, nauwgezet als een insect uit het platenboek, zij helpt het meisje.

            Je had je de moeite kunnen besparen! verzekert zij je. Je begrijpt haar niet, je kunt je ogen niet van haar afhouden. Met die pop! Zo ruim zit je niet in de slappe was. Ze veegt Madi’s mond af, bergt de zakdoek weg in haar tasje, het meisje drinkt uit het boortorenglas dat ze met beide handen vasthoudt, dat gelige drankje van citroenextract. Rondom haar lippen is haar huid vochtig, ze laat een boertje, Pia steekt een waarschuwend vingertje op, nou, en nu gaan we naar papa! zegt ze, en ze begint om de tafel heen te huppelen. Jij blijft zwijgen. Ik neem aan dat ik het gesprek aan de gang moet houden, zegt Pia. Ze stapelt de bordjes, lepeltjes, glazen op. Jij steekt de hand uit en houdt haar tegen, je blijft even zo zitten, haar vingers tussen de jouwe geklemd, zij verstijft, trekt haar hand niet terug. Je voelt dat ze kil is, ze zit in een andere omloopbaan. Niets dringt nog tot je door behalve haar kleding, de rekwisieten van de patisserie, het cijfer op de kalender. De blauwe jurk ruimt af, vraagt of ze ook iets voor thuis willen. Ze lijkt teleurgesteld dat je een gezin hebt, je hebt het smoel van een vent alleen die is gekomen om een middag te doden, twintig lei stuk te slaan, de voorbijgangers te monsteren. Jammer, ze heeft je geschrapt van haar lijst met favorieten, sinds een minuut is ze verkikkerd op de officier naast hen, die heeft de laatste knopen van zijn jasje losgemaakt en ziet eruit als een gebroken man. Dat alle losers zoals wij zich in een patisserie verzamelen! Een stelletje deerniswekkende straathonden. Jouw zwijgen bracht haar altijd uit haar evenwicht.

            Waar zit je aan te denken?

            Ik miste je.

            Je zegt maar wat! Snap nou dat het niet meer gaat. Reken even af en kom, dan gaan we naar buiten, ik heb zin om even in de winkels te kijken. Ze staat op, jij blijft nog even zitten met je ellebogen op de kille, rossige steen geleund. Het is inmiddels wat drukker op straat. Pia staat naast je en vertoont tekenen van ongeduld, wat doe je, ga je? Je rekent uit wat het ongeveer kost en legt het geld onder het servet. De blauwe jurk heeft het gezien, ze komt dichterbij, glimlacht naar je en zet de stoelen recht door ze met haar knieën te verschuiven, maar haar gedachten zijn elders. Madi, een paar stappen vooruit, loopt te paraderen en draait alle kanten op.

            Een dubieuze en natte junimaand, in de etalages staat een kleedpop te glanzen, de Leonida-garage, een Skoda combi neemt het trottoir in beslag. Je blijft plakken bij een kraampje met boeken en ditjes en datjes. Bij de bioscoop, in de hal, veel grauwe mensen, luidruchtig, een bekende wenkt je, hij laat zijn vuist een rondje beschrijven om zijn oor, bel me, mijn gezin... Je loopt naar Pia toe, neemt haar bij de arm, jullie laten je bij het kruispunt opnemen in de menigte. Zij zwijgt, je voelt de afgrond tussen jullie schouders. Jullie denken hetzelfde, zij wacht tot jij begint, ze heeft net zo lief dat je niets zegt.

            Je houdt van haar, ze weet het, is ontspannen, doet alsof. Jij klampt je aan haar vast, aan haar angsten, haar nukken. Alsof je onder haar lichte, dunne regenjas het geknars van een opwindmachientje hoort. Je vindt haar mooi, moet je zien hoe ze je opneemt in de etalage van het Aeroflot-agentschap, die vol staat met landkaarten en poppen, waarvan het meisje er een wil.

            Die zijn niet te koop, jij hebt je eigen pop.

            Waarom kom je niet terug? Je hebt niemand anders.

            Hoe weet jij dat?

            Ik heb navraag gedaan.

            Ik zou daar maar niet al te zeker van zijn, en bovendien heb ik jou uitgewrongen, Sandu! Ik heb mijn buik vol van armoede, illusies, afwachten. Ik wil leven. Lucht, met jou kreeg ik geen lucht, een smerige kamer die in beslag werd genomen door jouw piano, overal jouw partituren, jouw obsessies in ieder gebaar, in ieder ogenblik. Ik kan er niet meer tegen.

            Ik heb je nodig, Pia! Ik ben gestopt met werken. Madi komt teruggelopen. Jullie zijn ergens achtergebleven en ze is geschrokken omdat ze alleen was. Dat zal wel, maar het interesseert me niet wat jij doet, ga jij je gang maar als je niet wilt werken, jezelf de vernieling in helpt, dan moet je dat zelf weten! Iedereen met zijn eigen lot.

            Er komt een groep zwarte mannen voorbij, hun jassen open, ze nemen het trottoir in beslag, spreken op luide toon, Madi duikt weg tussen jullie in. Pia legt uit: het zijn ook gewoon mensen, ze hebben een wat donkerder huidskleur, dat komt door de zon. Ze brengt haar in herinnering dat zij de afgelopen zomer in Eforie ook bruin is geworden.

            Jij legt voortdurend jouw vragen op tafel, maar doet mijn leven er dan niet toe? Je zegt dat je op me wacht, dat is puur egoïsme! Er is niemand om je een kopje thee te brengen, om de peuken uit de asbakken te vissen. Je hebt geen vrouw voorhanden om van te profiteren wanneer je terugkeert op aarde na het dagelijks gepingel op de piano. Mijn heer en meester heeft niemand om voor hem te hollen en te draven en daar lijdt hij onder. Iemand heeft je je lievelingsspeeltje afgepakt. Je slikt iets weg, je houdt nog steeds haar arm vast, zwijgend laat je haar woorden op je inwerken. Breng me naar de halte, je hebt mijn avond verpest met je aandringen, het is over en jij blijft tegen beter weten in aandringen. Je probeert haar te vertellen dat je haar mist, dat haar vertrek een enorme leegte heeft achtergelaten.

            Woorden, Sandu, je hebt zat tijd gehad om mij dat allemaal te tonen, het is genoeg geweest. Ik heb mij voortdurend alleen gevoeld naast jou, volkomen alleen en daar heb ik geen zin meer in. Liefde is als geld, je hebt het of je hebt het niet, en ik ... Ze barst in huilen uit. Voorbijgangers blijven een ogenblik staan. Je voelt je schuldig. Je weet niet wat je moet doen. Je pakt haar vast om haar middel, Madi hangt aan Pia’s rokken. Ze zegt boos tegen je: gemenerik!

            Op de daken van de auto’s, in de dakgoten valt regen. Binnen een minuut is de bestrating zwart gekleurd. Het achtergrondgeluid van de straat verandert plotseling van toon, een dof geklater valt omlaag uit de muren en uit het wolkenplafond dat op de daken is neergedaald. Het is vrijwel donker geworden, de rossig-paarse zon glijdt voorbij achter de ruiten waarin hij deprimerend wordt weerspiegeld. De Icoontuin is uitgestorven, drie oude vrouwtjes schuifelen tussen de ontschorste bomen door om haastig te verdwijnen. Je probeert een taxi aan te roepen, maar de chauffeur stopt niet; je scheldt op hem. De militieman in het wachthokje bij de ambassade heeft een plekje om te schuilen, hij biedt aan het meisje bij hem te nemen als het echt begin te stortregenen. Madi is geschrokken, ze beeft. Ze is altijd bang geweest voor de bliksem. Er gebeurt niets, stelt de onderofficier haar gerust. Plotseling komt het met bakken uit de hemel, een roffel op de straat en op de dakpannen. Je kunt geen hand voor ogen zien, jullie worden in damp gehuld. De militieman steekt zijn zaklamp aan, dit lijkt Madi te amuseren, maar ze krijgt er al gauw genoeg van, laten we weggaan. Het zal zo wel ophouden, een zomerse bui. Jij bent niet in het wachthuisje gaan staan en je bent doorweekt, Pia geeft jou de schuld.

            Had je geen andere dag kunnen uitkiezen, het gaat niet goed met ons samen, alles zit ons tegen.

            Je ziet toch wel dat ik degene ben die zeiknat is?!

            Nou ja, je komt thuis, een hete douche en het is voorbij, ik maak me over jou geen zorgen. De onderofficier die terug is van zijn ronde laat weten dat hij een ambulance staande heeft gehouden. Die brengt hen wel naar huis. Eerst het meisje aan boord brengen, hollend overbrug je de afstand tot aan het paar brandende koplampen. Je gaat terug om Pia te halen. Je draagt haar in je armen. Binnen ligt Madi languit op de bank, ze heeft haar ogen gesloten en houdt haar handen over haar oren. Wanneer er thuis regen werd voorspeld, dook ze haar bed in en viel in slaap. Wanneer ze dan wakker werd, was het gevaar geweken, buiten scheen de zon.

 

Drie

Hij komt langzaam overeind van de gymbank. Hij is stijf tot op het bot. Hij bekijkt zichzelf in de spiegel en stuit op een clownstronie. Hij pakt een doekje en veegt zijn gezicht af, zijn verstand op nul, hij bekijkt alleen hoe vanonder de verf de wallen onder zijn ogen, zijn bleke gelaat, zijn vermoeidheid tevoorschijn komen. Vervolgens loopt hij door de bijna donkere gang, neemt de trap naar boven, begeeft zich naar de coulissen. Vanachter het mengpaneel geeft de geluidstechnicus opdracht om het volume op kanaal zes te verlagen. Hij staat met zijn rug tegen de muur, heeft in niemand trek. Hij glimlacht naar iemand die met een rol affiches achter over het podium loopt. Iemand vraagt hem over het geld, iemand steekt hem een aangebroken fles wodka toe, iemand geeft een beduimeld schrift door voor een handtekening. Hij zwijgt en weigert. Laat hem eerst eens de gitaar uitproberen. In de bandjes waar hij zich bij aansluit of die hij opricht, is hij maar zelden de toetsenist. De piano blijft voor thuis, voor de jazzmusici die zich in zijn gehoor hebben genesteld en wier partituren overal rondslingeren. De gitaar komt op hem over als een agressiever, spontaner, meer direct instrument. Een gladjakker had hem een keer gevraagd iets te schrijven voor een almanak, maar het artikel is nooit verschenen, afgezien van zijn conservatoriumfoto, waarop hij eruitzag als een weemoedige en puisterige middelbare scholier. Het slechte krantenpapier zat onder de vlekken. De man zonder gezicht had de foto uitgeknipt en boven een plank geplakt. Niet gummen, het gaat er niet uit. Naast hem explodeert een flits, een jochie dat door de coulissen banjert en foto’s maakt. Sandu jaagt hem verveeld weg. Geen foto’s...! Hij hangt de riem over zijn nek, herkent de greep bij de eerste aanraking, hij maakt deel uit van zijn wezen, een paar loopjes, zijn gewrichten zijn stijf geworden. In het donker roert het publiek zich ongeduldig. Zodra de mitrailleursalvo’s van de gitaar opklinken, produceert ook de zaal plotseling meer geluid. Sandu vraagt om ‘hoge tonen, meer hoge tonen’. De geluidsman Grosman verzekert hem dat er genoeg hoge tonen klinken zijn in de controlekamer en hij kapt de andere instrumenten af zodat alleen zijn gitaar te horen is. Hij is tevreden, het is ook oké, de hoge tonen komen perfect over, zo laten, zo laten! Hij stuurt nog een geluidssalvo door de flanger, controleert een spanningsmeter. Dat is het, niets meer aan doen!

            De geluidstest maakt deel uit van de show, hij laat de anderen ook hun instrumenten afstellen. Kam’raad Teşu zeurt hun aan het hoofd dat ze zich moeten gedragen, geen gekkigheid uithalen, die jongens hebben immers lang haar, geen obsceniteiten, hij houdt hem ter ondertekening een verklaring voor dat hij van dit alles kennis heeft genomen, als het misgaat, dan weten we wie het gelag moet betalen, zweep het publiek niet op, een heleboel van hen hebben flink ingenomen. Hij heeft geen pen. De lampen worden getest. Links een beetje meer groen, alleen groen. Goeoed, nu rood, klaar! Er is een filter verdwenen, iemand scheldt. Een jongen van de elektriciteit is op een stoel geklommen om een schijnwerper te richten. Iemand roept dat er gedrumd moet worden! Ik heb geen pen, kam’raad Teşu zoekt. En wanneer die gozer rechtsomkeert maakt, voegt hij eraan toe: apporteer! Hij pakt Gigi en drukt haar in een hoek achter het gordijn, je bent niet goed wijs, ze kunnen ons zien, heb je gedronken? Mmm, Pepsi, een geweldige drug, die doet alles vergeten, en het is nog een liefdesdrankje ook. Aha, hoe dat zo? Hij fluistert in haar oor, zij giechelt, je bent niet goed snik. Hij zegt nog andere onzin tegen haar, grijpt haar bij de schouders, liefkoost haar. Kam’raad Teşu heeft nog steeds geen pen het is hem opgevallen dat er Relu een T-shirt draagt met een buitenlands opschrift, een motorreclame. Dat moet uit. Als er iets gebeurt, sluit ik de stroom af, daar heb ik opdracht toe, geen ordeverstoring, anders...! En weer verdwijnt hij. Gigi heeft hem in zijn onderlip gebeten en hij voelt hem opzwellen. Wat bezielt je? Hij tilt haar op een piano die daar in dat hoekje staat. Hij pakt haar knieën vast, na afloop zal ze op hem wachten, deze nacht delen ze fifty-fifty. Het meisje knijpt haar ogen tot spleetjes samen, lacht. Doe mij een lol en zet me op de grond, ik ga naar de zaal om te zien of jij wel de moeite waard bent.

 

Relu heeft problemen met de drums, de pedaal werkt niet, een of andere idioot heeft er als een bezetene op zitten rammen en Relu scheldt hem verrot, wie heeft jou vanmorgen helpen aankleden, maar de schuldige laat zich niet zien, hij zou hem in flarden scheuren en hem als confetti over de hoofden van de toeschouwers uitstrooien. Geef me even een schroevendraaier. Hij trekt een microfoon naast de bekkens, vraagt aan de geluidsman om een paar klappen te beluisteren, perfect. Nou ja, er is altijd wel iets wat tegenzit, er gebeurt iets kloterigs, een kabelbreuk, een aansluiting naar de mallemoer, een versterker met een doorgebrande lamp, een microfoon die op het laatste moment ineens de geest geeft, net als jij je longen erin wil uitbraken. Sandu staat te kletsen met Gigi, zij verbaast zich erover dat er in de paasnacht een rockgala wordt gehouden. En op de televisie zijn er na middernacht nog uitzendingen, wat zou hen bezielen? Met Pasen zenden ze een western uit en volop muziek. Zodat je met je dikke wijf thuis blijft en haar eens lekker te grazen neemt, zelfs een stevig nummertje met haar maakt, de vastentijd is voorbij, zodat je een krokant stukje vlees kunt wegwerken, naar de pistoolheld op het scherm kunt kijken en je verzadigd en onsterfelijk kunt voelen. Felix, naast hem, is het met hem eens. Hij is nerveus, logisch, hij brengt de meisjes het hoofd op hol. Kam’raad Teşu is het proces-verbaal vergeten, maar hij vraagt hem of hij per se wil dat hij iets bepaalds zegt wanneer hij hem aan het publiek voorstelt. Sandu schudt van nee, niks, kam’raa

 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Vasile Ernu
Translated by: Monika Oslaj

Oda sovjetskom toaletu

Oda sovjetskom toaletu Posvećeno Iliji Kabakovu Za sovjetskog građanina ne postoji ništa intimnije od toaleta (Dopustite mi sa velikim poštovanjem koje imam prema ovom mjestu i ovoj ...

Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx